Johannes 15:1-17 & KOLOSSENZEN 1:23 - Hans. J. F. van Veen. Sen. Pastor (Budel (NB))

Thema:WAT KUNNEN WIJ NOG ZONDER CHRISTUS IN DIT AARDSE LEVEN.
Kerk:
Tekst:Johannes 15:1-17 & KOLOSSENZEN 1:23


Johannes 15.
:5. Ik ben de Wijnstok, en gij de ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen.
Kolossenzen 1.
:23. Indien gij maar blijft in het geloof, gefundeerd en vast, en niet bewogen wordt van de hope des Evangelies, dat gij gehoord hebt, het welk gepredikt is onder al de kreature, die onder den hemel is; van hetwelk ik Paulus een dienaar geworden ben;

Zomaar een paar woorden uit de Bijbel voor vandaag, Zonder Mij kunt gij niets doen, dat zijn geen woorden die geen heilige, geen profeet, geen apostel, geen president, koning of wie dan ook, zich kan toe eigenen om ons te zeggen, of op deze wijze kan toe spreken. Zonder mij kunt gij niets doen. Indien Jezus Christus, gelijk sommigen zeggen een goed man, maar ook niets meer, was geweest, dan zou zulk een taal onbetamelijk geweest zijn en onbestaanbaar met zijn karakter.

Onder de deugden van een volmaakte mens behoort voorzeker ook bescheidenheid en nederigheid, maar zulke woorden zouden in de mond van een gewoon mens van schaamteloze verwaandheid getuigen. Het is onmogelijk te denken, dat onze Heere Jezus Christus, indien Hij niet méér dan mens was geweest, ooit deze volzin zou hebben kunnen uitspreken: Zonder Mij kunt gij niets doen\\\" Lieve mensen, in deze volzin hoor ik de stem van die goddelijke Persoon, zonder wie geen ding is gemaakt, dat gemaakt is. De majesteit van deze woorden openbaart de Godheid van Hem, die ze heeft uitgesproken.
De Ik ben komt uit het persoonlijk voornaamwoord mij, en die aanspraak op alle macht omsluiert de Almachtige. Deze woorden betekenen de Godheid, of zij betekenen niets.

De geest, waarin wij naar deze taal luisteren, is die van aanbidding. Lieve mensen laat ons het hoofd buigen in plechtige aanbidding, en ons aldus verenigen met de schare rondom de troon, die kracht en heerschappij en macht toeschrijven aan Hem, Die op de troon zit en het Lam. Als wij nu in deze gemoedstoestand van aanbidding zijn, zullen wij ook beter toebereid zijn om tot het hart van onze tekst door te dringen, en dan zal ik niet spreken over de zedelijke onmacht van de on-wedergeborenen, hetgeen wel een leerstelling is welke ik van harte geloof; want deze waarheid lag niet op de weg van onze Heer, toen Hij deze woorden uitsprak, en Hij heeft er toen ook niet op gezinspeeld.

Het is volkomen waar, dat onwedergeboren mensen, zonder Christus zijnde, geen enkele geestelijke daad tot stand kunnen brengen, niets kunnen doen, dat welbehagelijk is in Gods oog; maar onze Heere sprak toen niet tot onwedergeborenen mensen, en Hij sprak toen ook niet van hen. Hij was omringd door zijn apostelen, de elven, van wie Judas als onkruid uitgewied was; en het is tot hen, als de ranken van de ware wijnstok, dat Hij zegt: Zonder Mij kunt gij niets doen.
Dit betreft hen, die in de wijnstok zijn, en zelfs tot de zodanige, die gesnoeid zijn en voor een wijle bevonden zijn te blijven in de stam, welke is Christus,
Zelfs in de zodanige is een volstrekte onmacht om iets heiligs voort te brengen, indien zij afgescheiden zijn van Christus.

Lieve mensen, ook zoals wij hier samen zijn als gelovigen, worden hier aangeduid onder het beeld van de ranken aan de wijnstok, en het doen, waarvan hier wordt gesproken, moet dus zijn vrucht voort brengen. Ik zou dit willen overbrengen in de volgende bewoordingen: Buiten Mij kunt gij niets voortbrengen,- - - niets maken, niets scheppen, niets teweegbrengen. Er wordt hier gesproken van dat doen, dat voorgesteld kan worden door de vrucht van de wijnrank, en dus tot die goede werken, en genadegaven des Geestes behoort, die verwacht worden van mensen, welke geestelijk met Christus zijn verenigd, en het is van dezen, dat Hij zegt: Zonder Mij kunt gij niets doen. Onze tekst is slechts een andere vorm van vers :4. blijft in Mij, en Ik in u. Gelijkerwijs de rank geen vrucht kan dragen van zich zelve, zo zij niet in de wijnstok blijft; alzo ook gij niet, zo gij in Mij niet blijft.
Het is dus zo dat voor degene die de Heere belijden, en Hem te kennen en liefhebben, en van harte begeert zijn naam te verheerlijken, die moeten gedenken, dat de vereniging met Christus een noodzakelijk en onmisbaar vereiste is, want alleen dan, als wij één zijn met Hem, en één met Hem blijft, kunnen wij vruchten voortbrengen, waaruit dan blijkt, dat je waarlijk tot de zijnen behoort.

Zonder Mij kunt gij niets doen. Door die volzin wordt in de eerste plaats HOOP in mij opgewekt.- - - Er moet iets gedaan worden, - - - onze godsdienst moet grote praktische gevolgen hebben. Ik heb aan Christus gedacht als aan de wijnstok, en aan de myriaden van ranken in Hem, en mijn hart heeft grote dingen gehoopt.
Welk een wijnoogst moet uit zulk een wortel voortkomen! Ranken zijnde in Hem, wat voor vruchten moeten wij niet voortbrengen! Er kan geen schaarsheid, niets armoedigst zijn in de vrucht van een wijnstok, die zó vol sap is. Vrucht van de beste hoedanigheid, - - - vrucht in de grootste overvloed, ongeëvenaarde vrucht moet door zulk een wijnstok worden gedragen.

Er is muziek in dat woord DOEN. Ja lieve mensen, broeders en zusters, Jezus ging het land door goed doende, en in Hem zijnde, zullen ook wij goed doen. In Hem is alles krachtig, praktisch, - - - in één woord vruchtdragend, en met Hem verenigd zijnde, zal ook veel door ons gedaan worden.
Door de almachtige genade van God zijn wij verlost buiten elk doen van ons zelf, en nu wij verlost zijn, verlangen wij ook wederkerig iets te doen; wij koesteren de hoge eerzucht, om onze grote Heere en meester van enig nut te kunnen zijn.
Ofschoon er in onze tekst van vandaag een ontkenning is, wekt hij toch in onze ziel de hoop op, dat wij, eer wij van hier gaan en niet meer zijn, ook nog op aarde iets voor Christus kunnen en mogen doen.

Broeders en Zusters, er is de heilige eerzucht en de hoop, dat wij iets kunnen doen, om God te verheerlijken door de vruchten voort te brengen, vruchten van heiligheid, vrede, en liefde. Wij zouden wensen de leer van God, onze Zaligmaker in alles te versieren. Door reinheid van wandel, door kennis, door lankmoedigheid, door ongeveinsde liefde, door alle goed en heilig werk zouden wij de lof van onze God willen verkondigen.
Wij weten, dat wij zonder de Heere Jezus niet heilig kunnen zijn, maar verenigd met Hem,- - - overwinnen wij de wereld, het vlees en de duivel,- - - en wandelen in klederen die onbesmet zijn van de wereld. De vrucht van de Geest is toch, liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid en alle heilige wandel.

Tot geen van deze dingen zijn wij bekwaam in ons zelf, maar in het geloof kunnen wij met Paulus; Ik vermag alle dingen door Christus, die mij kracht geeft (Philippenzen 4:13.)
Wij kunnen versierd zijn door rijke vruchten, wij kunnen onze Heiland blijdschap doen hebben in ons, opdat onze blijdschap vervuld worde. Wij begeren niet slechts vruchten voort te brengen in onszelf, maar ook veel vrucht te dragen in de bekering van anderen, evenals Paulus begeerde enige vrucht te hebben onder de Romeinen. In dit opzicht vermogen wij alleen en in onszelf niet het allerminste of geringste, maar verenigd met Christus brengen wij de Heere vruchten voort. Het is de Heere Jezus die zelf zegt; Die in mij gelooft, de werken die Ik doe, zal hij/zij ook doen, en zal meer doen dan deze; want Ik ga heen tot Mijn Vader. Lieve mensen, de hoop wordt levendig in ons hart, dat wij, een iegelijk van ons, - - - vele zielen tot Jezus zullen brengen. Niet omdat wij enigerlei kracht hebben in ons zelf, maar omdat wij verenigd zijn met Jezus, koesteren wij de blijde hoop vruchten te zullen voortbrengen, door anderen tot kennis van het Evangelie te brengen.

Het is die hoop die mijn ziel doet ontvlammen, en dan zeg ik tot mij zelf: Indien dit zo is, indien er zo vele ranken zijn, en indien al deze ranken leven, hoe vele vruchten van nog meerdere zegeningen zullen er dan niet rijpen voor deze zo arme wereld van vandaag.
De mensen zullen gezegend worden in ons, omdat wij gezegend zijn in Christus.

Welk een invloed zal er niet uitgaan van tienduizend godvruchtige levens! Welk een invloed moet er niet geoefend worden op ons land door duizenden van christen mannen en vrouwen, die liefde, vrede, gerechtigheid, deugd en heiligheid op praktische wijze bevorderen! En indien ieder hunner er naar streeft anderen tot Christus te brengen, hoe talrijk zullen dan niet de bekeringen zijn, en hoe sterk zullen de Kerken en de Gemeenten Gods dan niet worden uitgebreid! Weet gij niet, dat zo er slechts tienduizend ware christenen in de wereld waren, die ieder elk jaar een ander christen toebrachten, er geen twintig jaren nodig zouden zijn om de bekering van geheel de bevolking van de aarde tot stand te brengen? Dit is een eenvoudige rekensom, die iedere schoolknaap maken kan. Het schijnt gewis een kleinigheid, dat iedereen, - - - die Christus kent, en liefheeft, een ander toe zal brengen, en zo wij één zijn met Hem, dan kunnen hopen, dat dit voorzeker zal geschieden .

En zo mag ik neerzitten, met een liefelijke droom, overeenkomstig de belofte: Uwe jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen (Handeligen 2:17) Ziet dan deze duizenden van ranken, voortkomende uit zulk een stam als Jezus Christus, en met zulk een sap als de Heilige Geest, in hem vloeiende. Dan moet deze Wijnstok toch weldra alle bergen bekleden met zijn groen, zodat er geen enkele barre rots is, die door zijn zegenrijke bladeren niet wordt versierd!
Dan zullen de bergen van zoete wijn druipen, en al de heuvelen zullen smelten, en dit niet vanwege enigerlei natuurlijke vruchtbaarheid in de ranken, maar vanwege hun heerlijke wortel, en stam, en sap, zal ieder hunner rijke vruchten dragen, en elke vruchtbare tak zal over de muur lopen.

Lieve Broeders en Zusters in Christus, hebt gij geen sterk verlangen zulk een voleinding te zien? Begeert gij niet te delen in de grootse onderneming van de wereld voor onze Jezus Christus te veroveren? Jullie jongeren die nog vol van zijn van levensmoed, wensen jullie niet je in de voorste gelederen te bevinden van deze grote kruistocht? Laat onze ziel er toch naar smachten hoe de kennis van onze Heere God de aarde zal bedekken, gelijk de wateren de bodem van de zee.
Het moet voor ons toch een blijde tijding zijn, dat wij, verenigd met Christus, iets kunnen doen, waarop de Heere met welgevallen neerziet, - - - iets dat Zijn Naam eer en heerlijkheid zal toebrengen. Wij zijn toch niet tot werkeloosheid gedoemd; de blijdschap van het dienen, de hoge zaligheid van geven en van doen is ons niet ontzegd: de Heere heeft ons uitverkoren en verordineerd om vrucht voort te brengen, en dat wel blijvende vrucht.
Dit moet de sterke begeerte zijn die opkomt in onze ziel: de Heere geve, dat wij het tot een werkelijke gestalte in ons leven zien worden.

Als ik zo nog eens verder nadenk over onze tekst ervaar ik toch een huivering van vrees, en dit ondanks dat ik brand van een zeer sterk verlangen om iets groots voor Christus te doen, wordt ik toch bij het lezen van onze tekst door een plotselinge siddering bevangen.
Zonder Mij, - - - het is dus mogelijk, dat ik zonder Christus kan zijn, met bijgevolg volstrekt onbekwaam tot enig goed. Lieve mensen, misschien is de meerderheid van jullie leden van een zichtbare gemeente van Christus;- - - maar wat zou het toch zijn, indien gij niet zo in Hem zijt, dat gij vruchten voortbrengt?

Het is duidelijk dat er ranken zijn, die , in een zekere zin, in de wijnstok zijn, maar toch geen vrucht dragen! Er is geschreven: Alle rank in Mij, die geen vrucht draagt, die neemt Hij weg (Johannes 15:2).
Ja, misschien, je bent misschien lid van een gemeente, wellicht een ouderling,misschien een diaken, een oudste of een leraar, en als zodanig ben je dan in de wijnstok:- - - maar breng je vruchten van de heiligheid voort? Ben jij de Heere toegewijd? Probeer jij anderen tot Jezus Christus te brengen. Of is jou belijdenis iets, dat met geen heilig leven van doen heeft, en hoegenaamd geen invloed uitoefent op anderen?
Geeft het ons een naam onder het volk Gods en verder niets meer?- - - Zeg, is het een bloot natuurlijke vereniging met de gemeente, of is het een levende bovennatuurlijke eenheid met Christus? Lieve mensen laat die gedachte eens door de ziel gaan, en u in het stof neerleggen voor Hem, die van de hemel op u neerziet, zijn doorboorde hand opheft en roept, Zonder Mij kunt gij niets doen. Broeders en Zusters indien wij zonder Christus zijn, waar dient het dan voor dat onze Bijbelklas aanhoudt? Want we kunnen niets doen. Waartoe is het nut, dat ik hier sta, of schrijf, indien ik zonder Christus ben?
Waartoe dient het, als onze kinderen naar de Zondagsschool gaan, indien wij met dit al zonder Christus zijn? Tenzij wij zelf de Heere Jezus bezitten, kunnen wij Hem niet aan anderen brengen, tenzij wij het levende water in ons binnenste hebben, springende tot in het eeuwige leven kunnen wij niet zo overvloeien, dat stromen van het levende water uit ons voortkomen. Wat zou het zijn, indien je wel in Christus bent, - - - maar niet zo dat gij in Hem blijft?

Uit sommige woorden van onze Heere blijkt het, dat er ranken in Hem zijn, die weggenomen worden en dan verdorren. Zo iemand in Mij niet blijft, die is buiten geworpen gelijkerwijs de rank, en is verdord. (Johannes 15:6) Er zijn sommigen, die naar zijn naam genoemd zijn, en gerekend worden tot zijn discipelen; wier namen gehoord worden, telkenmale als de monsterrol van de kerk wordt afgelezen, en toch niet in Hem blijven. Wat zou het zijn lieve mensen, als we alleen op Zondag in Christus zijn, maar de rest van de week in de wereld, - - - op zondag Vroom en de rest van de week Dreesman.
Indien wij alleen aan de Avondmaaldis in Christus zijn, of op de bidstond?. Wat zou het zijn, indien we slechts af en toe in Christus zijn!, Indien blijkt, dat je uitwendig een heilige, maar inwendig een duivel bent! Ach mijn lieve mensen, wat zal het einde wezen van zulks een gedrag?. Heden in Christus, omdat het de Sabbatdag is; morgen buiten Christus, omdat het marktdag is; en gehoorzaam aan Christus lastig is en ongelegen komt, terwijl er gekocht en verkocht wordt.

Lieve Broeders en Zusters, dat gaat niet; dat is niet recht, Wij moeten zo in Christus zijn dat we altijd, dat wij altijd in Hem zijn, want anders zijn wij geen levende ranken van de levende wijnstok, en dan kunnen wij ook geen vrucht dragen. Het is nu eenmaal onmogelijk om vrucht te dragen als we nu eens wel, en dan weer niet in Christus zijn. Wij kunnen niets doen, zo we niet voortdurend met Hem verenigd zijn.

Het is al weer enkele jaren geleden dat ik op bezoek was bij vrienden van mij in Israël, waar we met een bus richting Hebron gingen vanaf Jeruzalem daarheen kon je door een streek waar veel druivenstruiken staan. Grote wijngaarden dus, die op zijn tijd gesnoeid werden, hetgeen ook te zien was. De verdorde wijnranken die er bij het snoeien afgesneden waren werden daar ter plekke verbrand, O, dacht ik, zal dat ook mijn lot dan wezen? Ik ben nu hier ver van huis, niet in staat vrucht te dragen, gelijk ik zou wensen. - - - Zal ik eindigen, terwijl dit mijn lot is? Zal ik bewaard worden om in het vuur geworpen te worden? Deze twijgjes maakten toch deel uit van een goede wijnstok, van ranken, die er ongetwijfeld fris en groen uit moeten hebben gezien, maar dienen zij nu dan slechts tot voedsel van de vlam. Ze waren afgesneden en als onnutte dingen weggeworpen, de mensen hadden ze opgeraapt, samengebonden, en smadelijk in het vuur geworpen. - - - Sta daar eens bij stil, wat een beeld kunnen we ons daarbij bedenken.

Daar is een groep leraren; zij worden als een bundel samengebonden en in het vuur geworpen. Daar is een bundel van ouderlingen! Hier een bundel van diakenen, een bundel van lidmaten van de gemeente! men vergadert dezelve, en men werpt ze in het vuur, en zij worden verbrand,
Lieve mensen, zal dit het lot wezen van iemand onzer, die de naam van Christus hebben aangeroepen!
Het is terecht, dat ik mag zeggen, dat ons een huivering kan bevangen, terwijl wij luisteren naar deze woorden: Zonder Mij Zonder Christus zal ons einde inderdaad verschrikkelijk zijn. Eerst geen vrucht; dan geen leven; en eindelijk geen plaats onder de heiligen, geen bestaan in de kerk van God. Zonder Christus doen wij niets, zijn wij erger dan niets, en dit is thans de toestand van de heiden, wat eens ook onze toestand was: God verhoede dat het thans onze toestand is, - - - zonder Christus geen hoop hebbende Is het dan geen ernstige reden tot het onderzoeken van ons hart, maar dat wil ik aan een ieder op zich overlaten, ook ik houdt in deze mezelf ook een spiegel voor, want ook ik heb fouten genoeg gemaakt, en nog betrap ook ik mijzelf daar nog dagelijks op.

Daarom lieve mensen hebben wij Christus bovenal zo nodig in de kracht van zijn werkelijke tegenwoordigheid. Denken wij altijd aan dit: Zonder Mij kunt gij niets doen? Zullen wij er op uit gaan om de mensen te onderwijzen; zal het onze vurige begeerte zijn, dat Christus met ons gaat? Of zullen wij plotseling stilstaan op de weg en zeggen: Mijn meester is niet bij mij, en ik durf geen stap verder te doen? De blijvende bewustheid van de liefde van Christus in onze ziel is het wezenlijke element van onze kracht. Wij kunnen zonder Christus evenmin een zondaar tot bekering brengen, als wij nieuwe sterren kunnen doen lichten aan de hemel.

De kracht om de wil van de mensen te veranderen, de macht om het verstand te verlichten ten opzichte van de dingen Gods en invloed te oefenen op het gemoed tot bekering en geloof, moet geheel en volstrekt komen van de allerhoogste. - - - Voelen wij dit? Of rangschikken wij onze gedachten voor een toespraak, en zeggen wij; Dit is een sterk punt, dat moet effect maken, om daar dan bij te blijven? - - - Zo ja, dan kunnen wij niets doen. De kracht is bij de meester, niet bij de dienstknecht; de macht is in de hand en niet in het wapen.
Wij moeten Christus hebben bij de hoorders en bij de prediker. Christus moet zijn in de scholen; Christus moet zijn op de hoeken van de straten, als wij daar over hem spreken, en wij moeten ons bewust zijn, dat Hij met ons is tot het einde van de wereld, of wij zullen niets doen.

Broeders en Zusters, - - - Sorry, maar we hebben dus niets dan een algehele mislukking te wachten van alles, zo wij iets , wat het ook zij ondernemen zonder Christus. Zonder Mij, zegt Hij, kunt gij niets doen. Het is in het doen, dat het falen het meest openbaar wordt. Weet je, we kunnen zonder Hem wel heel veel spreken; we kunnen congressen houden en conferenties en vergaderingen; maar doen is heel wat anders. Zonder Jezus kunnen we veel praten; maar zonder Hem kunnen wij niets.
Een welsprekendste redevoering zal, zonder hem, niets anders dan een fles met damp zijn. We kunnen plannen bedenken, en onze machinerie op orde schikken, en onze ontwerpen beginnen uit te voeren, maar zonder de Heere zult gij niets doen. Een onmetelijk wolkenland van voornemens en geen enkel plekje van wezenlijk doen, groot genoeg voor de voet van een duif om op te rusten - - - dat zal van alles het einde zijn. Je kunt al het geld hebben, dat door mildheid en grootmoedigheid wordt geschonken; al de geleerdheid, die aan de universiteiten is te verkrijgen, en al de welsprekendheid, die door de rijkst begaafden aan je voeten wordt gelegd; maar, zonder Mij, zegt Christus, kunt gij niets doen.

Geraas, flikkering, vuurwerk en mislukking - - - dat is er het einde van Zonder Mij kunt gij niets doen Graag zou ik deze woorden nogmaals willen herhalen; Niets doen, Niets doen; en de wereld rondom ons sterft! - - - Afrika in duisternis verzonken! China\'s miljoenen komen om! Hindostan verzonken in bijgeloof, en een kerk, die niets kan doen! Geen brood om uit te delen aan de hongerige en de scharen bezwijken en sterven! De rots moet geslagen worden en het water van het leven er uit voort stromen voor de dorstigen, maar geen enkele druppel komt te voorschijn, omdat Jezus daar niet is. Predikanten, evangelisten, kerken, gemeenten, reddingswerkers, de wereld komt om uit gebrek aan u lieden, en toch, zo de Heere niet bij ons is kunnen wij niets doen.

Ook deze eeuw zal voortgaan met nieuwe ontdekkingen, en de mannen der wetenschap zullen het beetje doen, wat zij kunnen, maar zonder Christus zult, en kunnen wij niets doen, niets, volstrekt niets! Wij zullen geen duinbreed vorderen op deze moeizame weg, en al roeien we nog zo hard dat zelfs de roeiriemen breken: we zullen door de wind en de stroming teruggedreven worden, tenzij wij Jezus met ons in het schip nemen. En gedenk dat de grote Landman ons gadeslaat, want zijn oog is op iedere rank gevestigd. Hij ziet, alles dat geen druiven voortbrengt, en Hij komt met een scherp snoeimes en snijdt hier en daar de ranken weg! Wat moet er dan nog worden voor degene, die niets voortbrengen? Onze ziel is verschrikt in ons als wij bedenken, dat wij zouden leven om niets te doen, en toch vrees ik, dat duizenden Broeders en Zusters en vele christenen niet verder komen dan dit; zij zijn niet onzedelijk, niet oneerlijk of godlasterlijk; - - - maar zij doen niets. Zij denken wel aan het gene zij wel graag zouden willen doen, en zij maken plannen; maar zij doen niets. Er is een overvloed van knoppen, maar er wordt geen enkele druif voortgebracht, en dat alleen omdat zij niet in die krachtige, levende gemeenschap zijn met Christus, waardoor zij vervuld zouden worden van leven, en gedrongen zouden worden vruchten voort te brengen tot eer en heerlijkheid van God.

Lieve mensen, als we nu eens stil onze binnenkamer ingaan, kunnen we in die stilte een stem van wijsheid horen, een stem als het suizen van een zachte stilte, die spreekt tot ons, - - - die in Christus zijn, en die zegt: Heere het is waar: zonder U kunnen wij niets doen, niets hoegenaamd, dat goed en welbehagelijk is in Gods oog. Wij zijn van onszelf niet bekwaam iets te bedenken, als uit onszelf; maar onze bekwaamheid is alleen uit God.
Nu moeten wij aldus niet spreken, alsof wij een compliment maken, dat door de rechtzinnigheid van ons wordt geëist; maar uit de diepte van onze ziel, vervuld van wanhoop aan onszelf, moeten wij die waarheid voor God erkennen. Het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet.
Heere, ik deug nergens toe, en doe niets; zonder U ben ik zo\'n onvruchtbare, dorre rank, en dit gevoel ik in het diepst van mijn ziel. Wees niet verre van mij, maar maak mij levend door Uw tegenwoordigheid.

Broeders en Zusters, als we eens kijken hoe het er heden voorstaat met deze wereld, kunnen we toch zien dat het einde voor de deur staat. Oorlogen, vervolgingen, hongersnood en ga zo maar door, wordt het dan niet de hoogste tijd voor ons allen om te bidden, ons te verootmoedigen, de roofbouw belijden welke wij met z\'n allen hebben gepleegd op Gods schepping, is het dan niet zo dat we echt zonder Christus totaal niets kunnen doen, zo laat ons tot Hem roepen en vragen, dat wij nooit zonder Hem zijn mogen. Laat ons met sterke roepingen en tranen smeken om zijn voortdurende tegenwoordigheid.

Hij is het die komt tot hen, tot hen die Hem zoeken: zo laat ons nooit aflaten van Hem te zoeken. Laat ons in bewuste gemeenschap met Hem pleiten, dat die gemeenschap immer onverbroken mag blijven. Laat ons bidden, dat wij zo met Jezus samengevoegd mogen zijn, dat wij één in geest met Hem mogen wezen, en nooit meer van Hem gescheiden worden.
Heere, laten de levensstromen van uw genade nooit ophouden in ons te vloeien, want wij weten, dat dit geschieden moet, omdat wij anders niets kunnen voortbrengen. Lieve mensen, laat er zo veel meer gebed onder ons wezen, want het gebed is bestemd om ons de zegen toe te voeren, die God voor ons heeft verordineerd; zo laat ons dan voortdurend van het door Hem aangewezen middel gebruik maken, en moge het resultaat er van dag tot dag toenemen.

Tot slot wil ik graag u allen nog zegenen en wel met de woorden uit Bemidbar 6 uit de Thora, welke we ook kunnen vinden in Numeri 6. Woorden die de Eeuwige tot Mozes sprak, en welke hij door moest geven aan Aharron.
:22. De Eeuwige sprak tot Moshé.
:23. Spreek tot Aharon en tot zijn zonen: Zo moeten jullie de kinderen van Israël zegenen, door hen te zeggen:
:24. De Eeuwige zal u zegenen en behoeden.
: 25. De Eeuwige zal Zijn stralend gelaat toewenden en u genadig zijn.
:26. De Eeuwige zal Zijn blik op u gericht houden en u vrede schenken.

Zij zullen Mijn Naam over de kinderen van Israël uitspreken, maar IK ben het die ze zal zegenen.

Lieve broeders en Zusters laten wij zo Israël zegenen op dat ook wij gezegend mogen worden omdat ook wij als christenen op deze wijnstok Jezus Christus zijn geënt, hetgeen wij nooit mogen vergeten.

Amen.

Copyright 2003 - Kerken.com
Niets uit deze uitgave mag gepubliceerd of vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden in welke vorm dan ook, zonder de voorafgaande schriftelijke toestemming van de webmaster van Kerken.com en de bijdragende predikant. Voor vermenigvuldiging ter voorbereiding van, en openbaarmaking tijdens de zondagse eredienst is het wenselijk de predikant hiervan op de hoogte te stellen. Dit kan met behulp van het hiervoor bestemde formulier 'preek gebruiken'. Ter voorbereiding van bijbelstudie(bijeenkomsten) is geen toestemming nodig.