Home Inloggen Winkel Contact
 
Zoekbox
     
 
Zoekbox
Topmenu
Topmenu Home Topmenu Winkel Topmenu Links Topmenu Preken Topmenu Kerken Topmenu Overdenkingen Topmenu Agenda Topmenu Contact Topmenu
Topmenu

Afdelingen 1. Algemeen 2. Kennis Bassin 3. Kinderen 4. Meeting People 5. Muziek 6. Pastoraat 7. Winkel Bron toevoegen Beheer Informatie Diversen
Aangepast zoeken
 

ADAM EN EVA (Genesis 2:15-25)
Preek afkomstig van Hans. J. F. van Veen. Sen. Pastor van de te Budel (NB).

       

Liturgie

ADAM EN EVA.

LEZEN: GENESIS 2:15-25

SLEUTELTEKST: GENESIS 2:18

Preek

Ook had de HEERE God gesproken: Het is niet goed, dat de mens alleen zij; Ik zal hem een hulpe maken, DIE als tegen hem over zij.

“Het is niet goed, dat de mens alleen zij”- - - zo sprak de Heere GOD, nadat HIJ Adam uit het stof van de aarde had gemaakt en door ZIJN adem als heer en meester over al het geschapene had aangesteld.

Wat een opmerkelijk woord! Adam was onschuldig en rein, hij leefde in de tegenwoordigheid van GOD, - - - Die hem als een Vriend kwam opzoeken; hij woonde op een aarde die het reine en onbedorven werk van GOD Zelf was.

Alles wat aan deze aarde aan mooi en hoogstaands opleverde, was zijn rechtmatig eigendom, en hij kon met volle teugen al haar heerlijkheid proeven.
De vruchten van het veld, het geboomte, de dieren, zowel vissen als vogels, zowel viervoetige als kruipende, moesten het hem aangenaam maken; hij had niets te doen dan in ongestoord genot de heerlijke weldaden van GOD te ontvangen, te bewonderen en ervan te genieten - - - en toch ontbrak er iets bij hem. - - -

Hij was alleen!

De enige mens op aarde bezat niemand die met hm mee kon voelen, - - - die zijn vreugde met hem kon delen, met hem GOD voor Zijn goedheid kon loven en danken.
Adam voelde dit gemis, want wij lezen van hem dat hij de namen van al het vee en van de vogels des hemels en van alle dieren van het veld had bedacht, maar dat hij voor zichzelf geen hulp vond die tegenover hem was.

Voordat de behoefte aan een hulp in Adam ontwaakt was, had GOD al gezegd: “Het is niet goed, dat de mens alleen zij”. Wat een goedheid van GOD! “Toen deed de Heere GOD een diepe slaap op Adam vallen, en hij sliep; en HIJ nam één van zijn ribben, en sloot de plaats daarvan toe met vlees. En de Heere GOD bouwde de rib, die HIJ van Adam genomen had, tot een vrouw, en HIJ bracht haar tot Adam.

Toen zeide Adam: Deze is ditmaal been van mijn van mijn gebeente, en vlees van mijn vlees! Men zal haar Manninne noemen, omdat ze uit de man genomen is. (Gen.2:21-23)

Zo werd Eva uit Adam genomen, en daarvoor was zij van hetzelfde maaksel als hij: uit de aarde, stoffelijk.
Zij ontving al haar zegeningen, haar schoonheid, haar waardigheid, ja alles wat zij bezat, van hem.
En tegelijkertijd was zij nodig voor hem en daarom was zij geschapen.

Samen mochten zij van dezelfde zegeningen genieten, verheugden zich met de zelfde vreugde, regeerden samen over de schepping.
Wat een liefelijke harmonie! - - - Wat een mooie en heerlijke eenheid! En het was GOD Zelf Die deze had voortgebracht.

HIJ had Adam geschapen en HIJ had Eva in de slaap uit Adam genomen. Wat een schoonheid heeft GOD in deze schepping tentoongespreid! Wat een wijsheid en volkomen liefde heeft HIJ daarin geopenbaard.

Maar dit alles krijgt een diepere en mooiere betekenis als wij, - - - geleid door het volle licht en de volle Waarheid van het Evangelie, Adam en Eva beschouwen als het beeld van Christus en de Gemeente.
Dit beeld is belangrijk omdat ons daarin op een duidelijke en treffende wijze een waarheid voor ogen wordt gesteld.
Dit wil niet zeggen dat een waarheid op een beeld gebouwd kan worden, maar dat, - - - als wij de waarheid duidelijk in andere gedeelten van het Woord verklaard vinden, wij in het beeld die waarheid op een bijzondere voorgesteld vinden en haar bewonderen.

Christus en de Gemeente, hun onderlinge eenheid en genegenheid - - - kijk maar naar de mooie en treffende geschiedenis die ons van Adam en Eva wordt voorgesteld.

Christus, de uitstraling van de heerlijkheid van GOD, de afdruk van ZIJN Wezen, was door GOD gesteld tot een Erfgenaam van alles.
HIJ was de tweede Mens, de Heer uit de hemel, en als zodanig Heer en Meester van alles wat geschapen was.

Psalm 8:4-7.
Als ik Uw hemel aanzie, het werk Uwer vingeren, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt;
Wat is de mens, dat GIJ zijner gedenkt, en de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt?
En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond?
Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet;

Om dit alles in bezit te nemen kwam HIJ op aarde, waar HIJ door de boosheid van de mensen is verbannen, en nu wacht HIJ in de hemel het ogenblik af dat HIJ naar de wil van GOD Zijn eigendom zal ontvangen en in heerlijkheid over de hele schepping zal regeren.

Maar nu houden wij ons alleen bezig met Christus, in betrekking tot de Gemeente. GOD liet de eerste mens niet zonder hulp, evenmin kon HIJ de tweede Mens alleen laten.

Omdat er in het eerste geval een leegte in de schepping geweest zou zijn zonder Eva, zo - - - o wondervolle gedachte - - - zou er in het laatste geval een leegte in de nieuwe schepping geweest zijn zonder de Gemeente.

De Gemeente was nodig voor Christus; HIJ was zonder haar niet volmaakt, want zij is ‘de volheid van Hem, Die alles in allen vervult’ (Efz.1:23).
HIJ moest, net als Adam, een gezellin hebben, die met HEM mee kon voelen, zich met Hem kon verheugen, met Hem kon genieten en heersen.

HIJ Zelf verlangde naar zo’n hulp en daarom verliet HIJ de heerlijkheid van de hemel, en werd waarachtig Mens, om op deze zondige aarde haar te zoeken naar wie Zijn hart verlangde.

De gezellin die GOD Hem gegeven had, bevond zich te midden van een verloren en schuldige wereld, aan wie zij in alles volkomen gelijk was. Zij behoorde een ander - - - de duivel - - - toe; en om haar in het bezit te krijgen, moest HIJ alles verlaten, alles prijsgeven.

Maar Zijn liefde voor haar was zo groot dat HEM niets te veel of te pijnlijk was om Zij doel te bereiken; niets was Hem te groot, te heerlijk of te kostelijk, zelfs Zijn eigen leven niet, Hij gaf het graag over om haar te bezitten.

HIJ betaalde de dure koopprijs met vreugde, - - - de koopman had na lang zoeken de parel van grote waarde, waarnaar zijn hart zo erg verlangde, - - - gevonden, en toe hij die gevonden had, ging hij heen, en verkocht alles wat hij bezat en kocht die parel (Matth.13:45-46).

Christus gaf Zijn leven voor de Gemeente, en dat moest gebeuren omdat zij die tot de Gemeente behoren, slaven van de zonde waren, hoewel zij al in Hem vóór de grondlegging van de wereld door GOD waren uitverkoren.

Er is een groot verschil tussen het voornemen van GOD en de openbaring of de vervulling van dit voornemen, want pas toen de koopprijs was betaald en Christus in het graf gelegd was, kwam het tarwegraan op de derde dag uit de aarde te voorschijn met de heerlijkste en mooiste vrucht.

In de slaap had GOD uit Hem een hulp gevormd, die van dat ogenblik af met Hem zou delen in al Zijn vreugde en heerlijkheid, een hulp die volkomen gelijk was aan Hem, vlees van Zijn vlees, been van Zijn been.

HIJ, de tweede Mens, de Heer uit de hemel, had een maagd voortgebracht die nu op de innigste en volmaakste wijze met Hem verenigd was. Nauwere vereniging is er toch niet mogelijk dan wanneer men hetzelfde levensbeginsel, dezelfde natuur, dezelfde eigenschappen, dezelfde heerlijkheid, dezelfde liefde bezit.

‘Christus heeft de Gemeente liefgehad en Zichzelf voor haar overgeven, opdat HIJ haar zou heiligen, haar reinigend door de wassing met water door het Woord, opdat HIJ de Gemeente voor Zich zou stellen, heerlijk, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, maar opdat zij heilig en onberispelijk zou zijn’ (Efz.5:25-27).

Zo was de manninne van de tweede Mens uit het graf van haar Hoofd te voorschijn gekomen, - - - wat een heerlijke schepping!, een wonderbare genade en liefde van GOD.
Hier is geen sprake meer van de behoudenis van verloren zondaars en hoe GOD die bewerkstelligd heeft, maar hier is sprake van de vereniging van de Gemeente met de Zoon van GOD, van haar volkomen gelijkvormigheid aan Hem.

De verheerlijking van bijzondere personen is een belangrijke zaak, maar is heel iets anders dan de vorming van de Gemeente. De gelovigen van het oude verbond zijn allen behouden, maar geen van hen is lid van de Gemeente, en het is belangrijk om dit te begrijpen.

De heerlijke plaats van de Gemeente, haar bijzondere betrekking tot de Zoon des mensen, - - - de Heer van de hemel, - - - haar bijzondere voorrechten en waardigheden -, dit alles moet de rijkste en zeldzaamste en de heerlijkste vruchten voortbrengen (zie Efz. 5:23-32).

Het lichaam van Christus te zijn, vlees van Zijn vlees, been van Zijn been, Zijn vervulling - - - wat een wonderbare heerlijkheid!
Heerlijke vruchten moet zij voortbrengen, die vereniging met de tweede Mens.
Wat een vertrouwelijkheid heerste er tussen Adam en Eva. Zij bewandelden dezelfde weg, zij waren één in al hun gedachten, woorden en werken, geen ogenblik van verwijdering was er tussen hen.

Zou het tussen Christus en de Gemeente anders zijn? - - - O, zeker niet; ook zij zijn beiden één, bewandelen dezelfde weg, hebben hetzelfde gevoel, dezelfde gedachten, zij blijven altijd ongescheiden.

Geen ogenblik van stoornis is er tussen Hem en haar, zij wandelt in ongestoord genot aan Zijn hand voorwaarts, nu door de woestijn, spoedig in de vele woningen van de Vader.
Dan zal HIJ, als de ware Man, op de troon zitten en in de gemeenschap met Zijn Bruid, de Gemeente, heersen over de (herstelde) schepping.

Hij is het Hoofd, en zij het lichaam, samen één mens, zoals wij lezen in Efeze 4:13.
Totdat wij allen zullen komen tot de enigheid des geloofs en der kennis van den Zoon Gods, tot een volkomen man, tot de mate van de grootte der volheid van Christus;

De Gemeente zal een geheel enige plaats in de heerlijkheid beslaan. - - - Niemand was zo dicht bij Adam als Eva, omdat niemand een deel van hemzelf uitmaakte.
Zo ook de Gemeente: zij zal de beste plaats in de heerlijkheid innemen, zij zal zitten aan de rechterhand van Christus, omdat zij uit Hem is genomen, een deel van Hem Zelf uitmaakt.

Broeders en Zusters, als de apostel Paulus ook tot u zeggen kan: (Efz.2:5-6)
”Toen ook u dood was in de misdaden, heeft HIJ u levend gemaakt met Christus . . . . en heeft u mee opgewekt en mee doen zitten in de hemelse gewesten in Christus Jezus”

Dan bent ook u leden van die Gemeente, die door de Vader voor Christus is gemaakt, en Hem tot een hulp, een gezellin in Zijn heerlijkheid is gegeven; dan bent u met Hem één van dezelfde natuur, dan zult u met Hem tot in alle eeuwigheid over al de werken van Zijn handen regeren.

Als dit uw deel is en uw toekomst, dan hoort ook uw wandel door de genade van GOD heilig en onberispelijk te zijn, dan hoort u als een bruid voor haar Bruidegom u van elke besmetting te onthouden, opdat Hij u te alle tijde gered vindt om in te gaan in de woningen van de vrede en de eeuwige heerlijkheid.

AMEN

Kopieerrechten: © copyright Kerken.com, 2002 - 2010.
Niets uit deze uitgave mag gepubliceerd of vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden in welke vorm dan ook, zonder de voorafgaande schriftelijke toestemming van de webmaster van Kerken.com en de bijdragende predikant. Voor vermenigvuldiging ter voorbereiding van, en openbaarmaking tijdens de zondagse eredienst is het wenselijk dit even aan ons door te geven. Dit kan met behulp van het hiervoor bestemde formulier 'preek gebruiken'. Ter voorbereiding van bijbelstudie(bijeenkomsten) is geen toestemming nodig.
 

Agenda
Boeken
Bijbel
kerk
Levensvragen
Links
Muziek
Nieuws
Overdenkingen
Preken


Kruis | Copyright 2003-2020 Kerken.com | deze pagina toevoegen aan favorieten | Contact | Disclaimer | A A A | Tell A Friend! | Kruis

 
tumblr site counter