Home Inloggen Winkel Contact
 
Zoekbox
     
 
Zoekbox
Topmenu
Topmenu Home Topmenu Winkel Topmenu Links Topmenu Preken Topmenu Kerken Topmenu Overdenkingen Topmenu Agenda Topmenu Contact Topmenu
Topmenu

Afdelingen 1. Algemeen 2. Kennis Bassin 3. Kinderen 4. Meeting People 5. Muziek 6. Pastoraat 7. Winkel Bron toevoegen Beheer Informatie Diversen
Aangepast zoeken
 

GEBED VAN HABAKUK (Habakuk 3:2)
Preek afkomstig van Hans. J. F. van Veen. Sen. Pastor van de te Budel (NB).

       

Liturgie

LEZEN: HABAKUK 3

SLEUTELTEKST: HABAKUK 3:2

Preek

HABAKUK 3
“Het gebed van Hábakuk”. (Nieuwjaar)
Lezen: Habakuk 3.
Sleuteltekst: Habakuk 3:2.
(Aangehaalde teksten zijn uit de Staten Vertaling)
“HEERE! Als ik Uw rede gehoord heb, heb ik gevreesd; Uw werk, o HEERE! Behoud dat in het leven in het midden der jaren, maak het bekend in het midden der jaren; in den toorn gedenk des ontfermens”.
Lieve mensen, het nieuwe jaar is weer begonnen, en ook nu mogen wij weer in Gods huis samenkomen voor het aangezicht van de Heere. Een nieuw jaar licht voor ons, en wat kunnen veel vragen onze harten bezetten. Wat zal dit jaar ons brengen? Zal deze wereld haar einde bereiken? Wat zal de toekomst brengen, met betrekking tot onszelf, voor onze gezinnen, voor ons land, voor ons volk, voor de kerk des Heeren, en Gods volk over de hele wereld?.
Allemaal vragen waarop wij het antwoord schuldig moeten blijven. Niemand van ons kan het gelukkig zeggen. Wanneer je ziet naar jezelf en wanneer je kijkt naar de wereld om je heen, dan kan vrees je hart vervullen, want je ziet dat er redenen genoeg aanwezig zijn dat de Heere komen zal met Zijn oordelen.
Lieve mensen, maar als we nu eens op God zouden zien, op God in Zijn trouw, in Zijn belofte die Hij gezworen heeft: “En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Amen.” (Mattheus 28:20), dán is er te midden van de zorg en de vrees die je hart vervullen toch hoop en verwachting. Dan mag er de zekerheid zijn dat God ook dit jaar niet zal laten varen het werk van Zijn handen. Maar - - - dat betekent ook dat wij samen vandaag heel direct en heel persoonlijk, allemaal voor de vraag geplaatst worden of er ook in ons leven een werk is van Gods handen.
Het woord wat ik daarbij met jullie wil overdenken, vinden we zoals net gelezen, uit de profetie van Habakuk 3, wat ook onze sleuteltekst is: “HEERE, als ik Uw rede gehoord heb, heb ik gevreesd; Uw werk, o HEERE, behoud dat in leven in het midden der jaren, maak het bekend in het midden der jaren; in de toorn gedenk des ontfermens”. (Habakuk 3:2)Als we hier eens bij stilstaan, heb ik toch een drietal gedachten waarmee Habakuk bezig is, en wel, - - - de tijd, - - - het werk, en de pleitgrond waarvoor, en waarop Habakuk bidt.
Even wat geschiedenis, - - - De profeet Habakuk, wiens naam betekent ‘de geliefde des HEEREN’, vervult zijn profetische roeping in de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de Babylonische ballingschap. Het volk van Juda weigert nog steeds om met de zonde te breken. Daarom heeft Habakuk van de Heere de opdracht gekregen om voort te gaan met het brengen van de boodschap die ook zijn voorgangers - - - zoals bijvoorbeeld de profeet Jeremia - - - al brachten, namelijk dat God met Zijn oordelen komen zal en dat het volk zal worden weggevoerd in ballingschap. - - - Wanneer we de profetie van Habakuk doorlezen, merken we dat deze profeet Gods boodschap getrouw gebracht heeft. Maar we merken ook zijn zeer persoonlijke betrokkenheid bij de boodschap die hij brengt, hij stond daar zelf niet buiten.
Als Habakuk in de geest ziet dat Jeruzalem tot een puinhoop zal worden, dat de akkers en wijngaarden verwoest zullen worden door de legers van de Chaldeeën, dan zegt hij niet: ‘Ik heb het altijd wel gezegd; ze zullen hun verdiende straf ontvangen; dan hadden ze ook maar naar mij moeten luisteren’. Nee, Habakuk is hartelijk bedroefd. De schuld van zijn volk is ook zijn eigen schuld. Hij is een profeet die lijdt als hij de boodschap van Gods toorn moet verkondigen en die zich verheugt als hij tot het volk mag spreken van Gods ontferming. Anders gezegd: de boodschap die hij brengt gaat niet langs hem heen, maar die boodschap gaat dóór hem heen.
Dat merken we ook in dit derde hoofdstuk, als hij zegt: “HEERE! Als ik Uw rede gehoord heb, heb ik gevreesd”. Toen Habakuk hoorde wat God met dat trouwe volk van Juda ging doen, - - - toen Habakuk in de geest zag dat de vijanden als een zware wals over het land, over de stad en over de tempel zou komen, toen heeft hij gevreesd. Is dat angst bij Habakuk? Nee, - - - niet zozeer angst. Het is diep ontzag, heilige huiver voor de majesteit van God, Die zulke ontzaggelijke dingen gaat doen. En Habakuk, - - - zo blijkt uit zijn profetie en ook uit dit gebed - - - is het daarmee eens geworden. Die straf is verdient en God is rechtvaardig.
Lieve mensen, is dat diepe ontzag, is die heilige huiver voor de majesteit van de Heere God er ook in ons leven? Want ik weet, - - - er zijn genoeg mensen die bang worden als ze denken aan de toekomst. Maar zijn we ook vervuld met eerbied, met ontzag voor die God, Die tot ons spreekt in allerlei omstandigheden, maar vooral door Zijn Woord? Die God, Die met ons te maken wil hebben, en Die ons Zijn vrede, en Zijn vriendschap doet verkondigen?
Als dat zo is, dan drijft de vrees voor de toekomst ons niet bij de Heere vandaan, maar brengt ons aan Zijn voeten, en zullen we ook bidden zoals Habakuk deed: ‘Uw werk, o Heere, behoud dat in het leven in het midden der jaren’.
Als Habakuk door genade het oordeel van God over het land en volk aanvaart, dan is hij voor één ding het meest bevreesd. Niet in de eerste plaats voor dat oordeel zelf en voor de smart, voor het verdriet, dat het met zich mee zal brengen. Dat is verdiend, weet hij. Maar hij vreest vooral dat God Zich helemaal van Zijn volk zal afkeren. Dat zou het allerergste zijn. En daarom smeekt hij: “O Heere (o God van het verbond), Uw werk, behoud dat in het leven in het midden der jaren, maak het bekend in het midden der jaren; in de toorn gedenk des ontfermens”.
Habakuk wist zich met zijn volk te leven in een tijd van goddelijke toorn. Dat is de Bijbelse naam die hij geeft aan de tijd waarin hij leefde. De Bijbel spreekt ons van een tijd van Gods welbehagen, spreekt ons ook van een tijd van verlossing, maar de Bijbel spreekt ons ook van een tijd van toorn. Een tijd waarin God een twist heeft met Zijn volk, en in zo’n periode leefde Habakuk. En in zo’n periode, lieve mensen, leven ook wij. Dat wij in een tijd van Gods toorn leven, dat bewijzen de tekenen van onze tijd, en dat blijkt duidelijk uit al hetgeen zich afspeelt in de wereld en ook in ons land en in de kerken en gemeenten.
We merken dat bijvoorbeeld aan de vermenigvuldiging van de ongerechtigheid, waarin het Schriftwoord wordt bevestigd: “En omdat de ongerechtigheid vermenigvuldigd zal worden, zo zal de liefde van velen verkouden” (Mattheus 24:20) We zien dat overal gebeuren. Mensen voelen zich zó groot en zó sterk, dat ze God niet meer nodig hebben, en aan steeds gruwelijker genotzucht geeft men zich in deze tijd over, waarbij boze lusten van de mens de enige regel voor het leven schijnen te zijn. In de profetie van Hosea kunnen we lezen dat de Heere van het volk zegt: “Efraïm is vergezeld met de afgoden; laat hem varen”. (Hosea 4:17) Zie daarin dat de Heere Zijn hand van Israël aftrekt en dat de Heere als het ware zegt:’laat ze maar doorgaan op de wegen die ze zelf begeren’.
Wat is dat, lieve mensen, een ontzaglijk oordeel! Als we zien op wat er in ons land gebeurt, moeten we dan ook niet vrezen dat de Heere ook van ons zal zeggen: “Laat ze varen”, want ons volk verbreekt is ook hard bezig alle banden te verbreken waarmee het aan God gebonden was, aan Zijn Woord, aan Zijn kerk en gemeenten, Ouderen en Jongeren, zowel buiten als binnen de kerken en gemeenten, laten zich meeslepen op deze heilloze weg.
Dat we leven in een tijd van toorn blijkt ook daarin dat de kerken en ook gemeenten steeds meer terrein aan het verliezen is, en dat de leugenleer en ketterij in vele kerken, in kerkverbanden en groeperingen vrij spel hebben, en dit blijkt ook uit het feit dat er tussen hen die bij het Woord van God willen leven dikwijls zo’n ontstellende verdeeldheid heerst. - - - Dat er zo weinig levend geloof wordt gevonden, en dat we wel bezig zijn om krampachtig allerlei vormen in stand te houden, maar dat de inhoud, de beleving zo dikwijls verdwenen zijn.
Lieve mensen, wij moeten onszelf maar niet blinddoeken, wij moeten echt niet denken dat wij daar nog niet mee te maken hebben, want weet , dat die meent te staan, zie toe dat hij/zij niet valle! Opdat we niet meegevoerd zullen worden met de stroom van afval en dwaling.
Dat we leven in een tijd van toorn, bewijst zich in verberging van Gods aangezicht. Er zijn vele kinderen van God die moeten zeggen: “Zie, ga ik voorwaarts, zo is Hij er niet, of achterwaarts, zo verneem ik Hem niet”. (Job 23:8) En hoe velen van hen die vroeger hun tekenen zagen, moeten nu met David klagen: “Wij zien onze tekenen niet; er is geen profeet meer, noch iemand bij ons, die weet, hoe lang”. (Psalm 74:9)
De gemeenschap met de Heere wordt gemist, en het vriendelijk aangezicht van God wordt weinig aanschouwd, omdat er weinig oefening is in geloof.
Zijn dit allemaal geen bewijzen dat wij net zo als Habakuk, leven in een tijd van goddelijke toorn? Als we dan ook het nieuwe jaar ingaan lieve mensen, dan gaan we dat in met zorg en vrees. Met zorg over de wereld, met zorg over ons eigen land, met zorg over de kerken van de Heere, met zorg over de kring van onze gemeenten, met zorg over ouderen en jongeren.
Met zorg, niet in de eerste plaats vanwege de eurocrisis, maar vanwege het verschrikkelijke gééstelijke verval. Maar dat het bovenal bij ons zou mogen zijn: ‘met zorg over het werk van de Heere!’. Want dan brengt de zorg ons waar het de profeet Habakuk bracht: voor God op de knieën in het verborgene, met de bede: ‘Uw werk, o Heere, behoud dat in leven’.
Lieve mensen, als ik hier de vraag zou stellen: ‘Waarom, - - - waarom is het gebed de christen van node?, dan moet voor ons allen het antwoord hierop toch kunnen zijn: ‘Omdat het gebed het voornaamste stuk van de dankbaarheid is.’ (vindplaats: Heidelbergse Catechismus Zondag 45) Welnu, in het verlengde daarvan kunnen we dus vragen: - - - Wat is het beste wapen in een tijd van toorn? En dan moet gezegd worden: ‘dat is het gebed’. Habakuk hanteert dat wapen en smeekt: ‘Uw werk, o Heere, behoud dat in het leven in het midden der jaren’.
Hier moet alle nadruk vallen op die eerste twee woordjes: ‘Uw werk’. Habakuk bidt voor het werk van God, voor het volk van Zijn liefde. In zekere zin geldt het van al Gods schepselen dat ze Zijn werk zijn. Als de dichter het allemaal overziet, zegt hij: ‘Hoe groot zijn Uw werken, o Heere! Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt’ (Psalm 104:24). Maar Zijn Kerk, Zijn gemeente, dat is in het bijzonder het werk van Gods handen, want Hij formeerde die gemeente om Zijn lof te vertellen.
Dat bedoelt Habakuk hier. Het gaat hem om het werk van Gods genade in de beloofde Messias. De profeet doelt op het grote werk van God, begonnen in de moederbelofte, om in deze wereld vijandschap te zetten tussen het zaad van de vrouw en het zaad van de slang, om zo het koninkrijk van Zijn Zoon Jezus Christus op te richten in deze wereld. ‘Uw werk, o Heere, laat dat toch niet wegspoelen in golven van Uw toorn’ maar laat toch in de volheid van de tijd Uw Zoon worden uitgezonden, Uw werk, o Heere, behoud dat in het leven in het midden van de jaren.
Habakuk smeekt dus of God er voor zorgen wil dat uit de schoot van Israëls natie de Beloofde van de vaderen geboren zal worden. En dan zegt hij:’In het midden van de jaren’. Ofwel in de jaren die komen zullen, in de jaren van de aanstaande ballingschap, en dat laatste benadrukt hij nog eens door te zeggen: Maak het bekend in het midden van de jaren’. Of anders, - - - laat het geboren worden uit de schoot van de jaren, ofwel, laat de ellende, laat de weeën van de ballingschap, Uw werk mogen voortbrengen, Heere. Zoals langs een weg van weeën een kind geboren wordt, laat zo Uw werk geboren worden!
Wat er van het werk van Israël overbleef, dat woog niet het zwaarste bij Habakuk. ‘Uw werk Heere daar gaat het om’. Al wat van ons is mag gerust verbranden in de vlammen van Uw rechtvaardig oordeel, dat zal enkel winst zijn, want onze werken, zijn werken van de duisternis.. “Maar Uw werk, o Heere, behoud dat in het leven in het midden der jaren”. En toch had Habakuk gezien dat stad en tempel verwoest zouden worden, en dat het volk weggevoerd zou worden in ballingschap, en ondanks alles zegt Habakuk niet: ‘Heere, ons werk’, maar: ‘Uw werk, behoud dat in leven!’ En ziende op de naderende verwoesting zoekt hij de stilte van zijn binnenkamer en worstelt hij met God over de voortgang van Zijn werk.
Lieve mensen, Zou dat ook ons gebed niet moeten zijn bij het begin van de nieuwe jaarkring? Als rondom ons alles wegvalt, als zoveel afvalt van de levende God, als de kerk, en gemeenten in ons land door vele dwalingen worden meegezogen en als er zoveel is, ook in de kring van onze eigen gemeenten, dat met zorg en verdriet vervult, - - - moet dan ook ons gebed niet zijn: “Uw werk, o Heere, behoud dat in leven in het midden der jaren?”.
O zeker, in allerlei kerken, gemeenten, kringen en groepen horen we vandaag de roep om een geestelijke opwekking. En inderdaad, er is ook niets méér nodig dan een krachtige werking en doorwerking van de Heilige Geest, - - - maar wie kan zoiets maken? Wie kan zoiets organiseren? - - - Habakuk heeft daar de Heere voor nodig en daarom smeekt hij niet voor niets: ‘Uw werk, o Heere, behoud dat in het leven in het midden der jaren’
‘Dat werk dat door U begonnen is in ons land, in de kerk, in de gezinnen, in ouderen en jongeren, behoud dat in leven, Heere. Opdat we niet zullen verdrinken in de vloed van werelddienst en dwaling’.
Lieve mensen, u denkt hierbij misschien ook aan het werk van de Heere God in uw eigen leven. De Heere is Zijn werk in uw hart begonnen, maar soms lijkt het voor u, voor jou, voor jullie, alsof het allemaal niet waar geweest is, en vragen we ons af: was het eigenlijk wel het werk van God? Bedrieg ik mezelf niet? Van alle kanten wordt het ons in het oor ingefluisterd: ‘Vergeet het maar, dat het een werk van de Heere is. - - - Als het echt van de Heere is, dan zou het er wel anders uitzien’. Maar ook dan is er geen antwoord, geen andere weg, dan het gebed van de profeet: ‘Uw werk, o Heere, behoud dat in het leven in het midden der jaren’.
Uw werk, - - - en daar ging het bij Habakuk om, en daar gaat het om bij allen die God en Zijn koninkrijk werkelijk lief gekregen hebben. Zij dragen het werk van de Heere, niet alleen in eigen kring, maar wereldwijd op het hart. ‘Uw werk van bekering, Uw werk van vernieuwing van zondaarsharten, van boetvaardigheid, van geloof in de Heere Jezus Christus, maak dat bekend in het midden van de jaren!’
Lieve mensen, wij als mensen maken ons in de regel geweldig druk over ons werk. Wij bouwen een prachtig godsdienstig huis of we bouwen een mooi werelds huis. We bidden, ook bij het begin van het nieuwe jaar: ‘Heere, dit is mijn huis dat ik gebouwd heb, wat ik bezig ben te bouwen, behoud dat toch alstublieft in het leven’. Maar als God Zijn werk in ons begint, weet u wat er dan gebeurt? Dan breekt Hij ons werk af. Dan breekt Hij onze zondige werken af. Dan breekt Hij ook onze vrome, onze godsdienstige werken af, en dan blijft er van ons werk niet anders over dan schuld, zonde en ongerechtigheid. Lieve mensen, dan komen we op de puinhopen van ons leven terecht. Dan worden we zo arm, zo nameloos arm, dat we niets hebben, echt niets, om van de schuld die we gemaakt hebben ook maar iets te kunnen betalen.
Maar zie, - - - op die puinhopen bouwt God Zijn koninkrijk. Waar het bij ons waar wordt: ‘Uw doen is rein, Heere, Uw vonnis gans rechtvaardig”, daar wil de Heere Jezus Zijn bloed nabij brengen. Daar doet de Heere Zijn werk verrijzen; het volkomen werk van de verdiensten van de Heere Jezus Christus. Dan mag je het anker van de hoop uitwerpen in de zee van het bloed van het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt, en dan ga je met Habakuk bidden: “In de toorn gedenk des ontfermens”.
Lieve mensen, de toorn van God hoort bij Zijn wezen. Toorn is een uiting van Zijn rechtvaardigheid, van Zijn heiligheid. God moet de zonde straffen, en wie zichzelf leert zien bij het licht van de Heilige Geest, zal dat beamen. - - - dan voel je diep in je hart: God is vertoornd op mij vanwege al mijn zonden, en je kan dan ook niet anders zeggen dan dat het volkomen rechtvaardig is dat de Heere die zonden bezoekt, en daar heeft Habakuk iets van gezien, en daarom bid hij ook niet om afwending van het gericht. Hij vraagt niet aan de Heere - - - en dat is opmerkelijk - - - of Hij Zijn toorn wil inhouden, hij heeft maar één verzoek: ‘Heere, als U rechtvaardig toornt over de zonde, vergeet dan Uw ontferming niet. Vergeet Uw genade niet.’
Lieve mensen, voor ons zijn dat eigenlijk twee dingen die niet met elkaar rijmen: - - - de toorn van God, en de ontferming van God. Hoe kan God nu in de toorn aan Zijn ontferming denken? Dat kan, - - - en dat kan alleen - - - omdat de Heere God redenen uit Zichzelf heeft genomen om genadig te zijn. Omdat Jezus Christus al in de stilte van de eeuwigheid met Zijn hart Borg geworden is.
God kan alleen in de toorn aan Zijn ontferming denken om Christus wil, want in Hem hebben goedertierenheid en waarheid elkaar ontmoet. In Hem hebben gerechtigheid en vrede elkaar gekust. Nu kan de Heere Zijn ontferming bewijzen. Nu kan Hij zeggen tegen mensen die onder Zijn toorn zouden moeten vergaan: “Want dat zal Mij zijn als de wateren van Noach, toen Ik zwoer, dat de wateren van Noach niet meer over de aarde zouden gaan; alzo heb Ik gezworen, dat Ik niet meer op u toornen, noch u schelden zal”. (Jesaja 54:9)
Habakuk kende dat wondere geheim van de verzoening. Daaraan ontleent hij vrijmoedigheid om, pleitend op het werk van de komende Messias, te midden van de toorn te smeken: ‘In de toorn gedenk des ontfermens’.
Lieve mensen, wat Habakuk mocht zien in de dienst van de schaduwen, dat is voor Gods gemeente van het Nieuwe Testament tot volle openbaring gekomen. Want toen Jezus Christus aan het vloekhout hing op Golgotha en midden in de vlammen van de oneindige toorn van God Zijn gezegende mond opende, en het uitriep tot Zijn Vader, toen moest Hij zeggen: ‘Gij antwoord niet’, Ik heb geen rust, ook vind Ik geen ontfermen.’ Er was voor Hem geen ontferming, opdat nu vloekwaardige zondaren bij God ontferming zouden vinden.
Het is de ervaring van Gods kinderen om te midden van de toorn, daar waar geen verwachting meer is, bij de Heere ontferming te vinden. David zingt ervan in Psalm 142:4 “Als mij geen hulp of uitkomst bleek, Wanneer mijn geest in mij bezweek En overstelpt werd door ellend’ Hebt Gij, o Heer, mijn pad gekend.”
‘In de toorn gedenk des ontfermens.’ God maakt zalig in wegen die voor ons vol van toorn zijn. De Heere brengt je - - - zo lijkt het soms - - - tot de rand van het verderf. Maar Hij doet dat om je daarna ook als een vuurbrand (vuuroffer) uit het te vuur te rukken. Dat doet de Heere Zijn kinderen ervaren. In de toorn vinden zij een ontfermend God en geeft de Heere sierraad voor as, vreugdeolie voor treurigheid en het gewaad des lofs voor een benauwde geest.
Habakuk wist dat bij ervaring en daarom is het zijn gebed: “Uw werk, o Heere, behoud dat in het leven in het midden der jaren, maak het bekend in het midden der jaren; in de toorn gedenk des ontfermens.” Weet u, - - - weet jij dat ook bij ervaring? En is het daarom ook uw, ook jou gebed? Want alleen Gods werk, alleen Zijn ontferming, kan een verloren mens, een vervallen kerk of gemeente, en een van God afgeweken volk, redden.
Lieve mensen, Habakuk leefde in een tijd van goddelijke toorn en daar leven ook wij in, want we beseffen waarschijnlijk nauwelijks hoe ver de Heere God ons al verlaten heeft, hoe ver de Heere al geweken is van ons land en ons volk. We zien als we er op letten hoe ons volk alle banden verbreekt en Gods wetten vertrapt. Hoe het zich overgeeft aan een onbeteugeld uitleven van de zonde. Hoe in vele zich christelijk noemende kerken de leugen wordt geloofd en de waarheid wordt verworpen.
Een tijd van toorn. Maar - - - dat is tegelijk een tijd om te bidden: ‘Uw werk, o Heere, behoud dat in het leven.’ Dat mag vrijmoedigheid geven om te vragen: ‘Uw werk, o Heere, behoud dat in leven in het midden der jaren, maak het bekend in het midden der jaren; in de toorn gedenk des ontfermens’. Zo heeft Habakuk gebeden, en hij zij niet: Denk, Heere, aan onze ijver, denk aan onze gebeden, - - - Zelfs niet: Denk, Heere, aan onze boetedagen, - - - Maar zijn gebed was: ‘In toorn gedenk des ontfermens’. Of, zoals we het lezen bij de profeet Daniël: “Neig Uw oor, mijn God! En hoor, doe Uw ogen op, en zie onze verwoestingen, en de stad, die naar Uw naam genoemd is, wij werpen onze smekingen voor Uw aangezicht niet neder op onze gerechtigheden, maar op Uw barmhartigheden, die groot zijn. (Daniël 9:18)
Onze zonden zijn groot, eigenlijk onnoemelijk groot, maar we mogen weten dat Gods ontferming, lieve mensen, nog veel en veel groter is. Gods ontferming is als een oceaan zonder oevers. Daarin roemt de barmhartigheid tegen het oordeel, en daarom mogen wij, ouderen en jongeren, voor de Heere buigen, pleitend op genade alleen, en smeken: ‘In de toorn gedenk des ontfermens’.
Habakuk vroeg: ‘Uw werk, o Heere, behoud dat in leven in het midden der jaren’ en dat mogen wij ook vragen bij het begin van het nieuwe jaar. Want nog altijd zijn de woorden van Mozes uit Psalm 90 zo actueel ook vandaag aan de dag: “Aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, of, zo wij zeer sterk zijn, tachtig jaren; en het uitnemendste van die is moeite en verdriet; want het wordt snellijk afgesneden, en wij vliegen daarheen.”
Lieve mensen, misschien verwachten we veel goede en mooie dingen voor het nieuwe jaar en zijn onze harten hoopvol gestemd. Maar laten wij daarbij toch nooit vergeten dat alles buiten de Parel van grote waarde teleurstelt. Alles buiten deze Parel eindigt in verderf en ondergang, en daarom is het zo belangrijk of in onze levensjaren Gods werk in onze harten geboren wordt. Want dat werk alleen houdt stand in de vloed van Gods toorn.
Gods kinderen mogen weten dat er een werk van de Heere in hun hart en leven is. Hoe verloren soms, toch mogen ze allen weten: ‘Heere, U kunt niet meer van mij af, want U hebt gezegd: “Zie, IK heb u in de beide handpalmen gegraveerd; uw muren zijn steeds voor Mij” (Jesaja 49:16) , en wat geeft dat de vrijmoedigheid voor ons om te zeggen: ‘Niet mijn werk, Heere, maar het Uwe. Wat er van U in mijn hart en leven is, behoud dat in het midden van de jaren!’.
Lieve mensen, wat is die mens gelukkig, die er met zijn eigen werk buiten is gevallen. Wanneer het niet meer gaat over ons werk, maar over Gods werk. Want weet, - - - God komt altijd terug op Zijn eigen werk. Hij laat niet varen het werk van Zijn handen. Het werk dat Hij begint zal Hij voleindigen tot op de dag van Jezus Christus.
En Hij is nog bezig om Zijn koninkrijk te doen komen, om Zijn werk te verheerlijken in de harten van mensen. Daarom laat de Heere ons steeds weer Zijn Woord verkondigen, waarin ons geboodschapt wordt, Wie Jezus is en Wie Hij wil zijn, zelfs voor de grootste van de zondaren. Hij is onder het oordeel van God doorgegaan, opdat u, opdat jij, opdat wij van dat oordeel bevrijd zouden worden.
‘O, zie dan toe dat gij Dien Die spreekt, niet verwerpt! . Lieve mensen, als wij het evangelie van God en al Zijn roepstemmen naast ons neerleggen! - - - Er komt een tijd dat roepen tot God, dat bidden tot God om Zijn ontferming, niet meer mogelijk is. Dan zal er in de toorn geen ontferming meer zijn, en zal er alleen nog maar gebeden worden: ‘Bergen, val op ons! Heuvelen, bedek ons! , maar dat gebed zal niet verhoort worden, en het is daarom: ‘Heden, heden, zo gij Zijn stem hoort, verhard u niet maar laat u leiden!’
Alleen zij die hun leven op Gods ontferming in Christus leerden pleiten, zij die de wondere vrijspraak van schuld en straf in hun hart hoorden, zij alleen worden in de toorn bewaard, en de poorten van de hel, zullen Gods gemeente niet overweldigen. Achter het bloed van het Lam is de gemeente veilig. Dan denkt de Heere in Zijn toorn aan Zijn ontferming, want Hij heeft immers gezegd: ‘Wanneer ik het bloed zie, zo zal ik ulieden voorbij gaan’ (Exodus 12: 13b)
Lieve mensen, gemeente mag u op deze dagen van het nieuwe jaar de prediking horen: “Zie het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt!”.

Amen.

Kopieerrechten: © copyright Kerken.com, 2002 - 2010.
Niets uit deze uitgave mag gepubliceerd of vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden in welke vorm dan ook, zonder de voorafgaande schriftelijke toestemming van de webmaster van Kerken.com en de bijdragende predikant. Voor vermenigvuldiging ter voorbereiding van, en openbaarmaking tijdens de zondagse eredienst is het wenselijk dit even aan ons door te geven. Dit kan met behulp van het hiervoor bestemde formulier 'preek gebruiken'. Ter voorbereiding van bijbelstudie(bijeenkomsten) is geen toestemming nodig.
 

Agenda
Boeken
Bijbel
kerk
Levensvragen
Links
Muziek
Nieuws
Overdenkingen
Preken


Kruis | Copyright 2003-2020 Kerken.com | deze pagina toevoegen aan favorieten | Contact | Disclaimer | A A A | Tell A Friend! | Kruis

 
tumblr site counter