| |
Nooit denken dat iets hopeloos is! (Jesaja 40:1)
Preek afkomstig van Ds. M.H.T. Biewenga van de Nederlands Gereformeerde Kerk te Enschede.
Liturgie
Zingen: Ps 122:1
Votum en groet
Aansteken eerste Adventskaars (door Arjen Kooij)
Zingen: Eerste kaars ik steek je aan
Zingen: Heel de wereld moet het weten (Opwekking 167:2)
Leefregel: Exodus 20:1-17
Zingen: Ps 81:1,8,9
Gebed
Schriftlezing: Jesaja 40:1-17,25-31
Zingen: Halleluja, looft God in zijn heiligdom (Opwekking 78)
Kinderen gr 3-6 naar voren. Gesprekje
Zingen: Lees je Bijbel, bid elke dag (Evangelische Liedbundel 459)
Tekst: Jesaja 40:1
Preek
Zingen: Groot is uw trouw, o Heer (Opwekking 123)
Gebed
Collecte
Zingen: Ps 84:2,4
Zegen
|
|
|
|
|
Preek
Jongens en meisjes,
Nou hebben we daarstraks die kaars aangestoken.
Maar waarom dóén we dat nou? Wie weet dat?
.....
We gaan van het donker naar het licht.
En hoe dichter we bij Kerst komen, hoe lichter het wordt. Eerst één kaars, volgende week twéé, dan drie, en tenslotte vier.
En dán vieren we het feest van de geboorte van de Here Jezus; want Hij is hét Licht der wereld.
Wordt de Here Jezus elk jaar weer geboren dan?
.....
Natuurlijk niet, hè? Maar we dénken er wel elk jaar weer aan, we víéren het op Kerst; en de weken vóór Kerst leven we daar naar toe. Want stráks is het Kerst!
Zeg: hoe wéten wij dat eigenlijk allemaal? Want dat is al heel lang geleden hè, dat de Here Jezus geboren is. Daar waren wij niet bij, en jullie vaders en moeders niet, en jullie opa’s en oma’s niet -- maar hoe komt het dan dat wij daar toch van wéten?
.....
Omdat de Here God zélf daarvoor gezorgd heeft.
Door de Bijbel.
En daarom lézen we ook telkens weer in de Bijbel. Hier in de kerk, en thuis, maakt niet uit. En dan spréékt God tot ons, dan vertelt Hij ons over Hemzelf en over de Here Jezus. En wij mogen terúgpraten, wij mogen ook wat tegen Hém zeggen. Hoe dan?
.....
Door te bidden.
Dat is mooi: Gód spreekt, en wij luisteren.
Wij spreken, en Gód luistert.
Best wel bijzonder eigenlijk.
Daar gaan we van zingen: Lees je Bijbel, bid elke dag (Ev Lb 459)
Gemeente van onze Here Jezus Christus,
Vandaag is het de eerste zondag van Advent. Vorige week was het de láátste zondag van het kerkelijk jaar, van het vórige kerkelijk jaar, ‘Eeuwigheidszondag’. De dag ook waarop de Here onze zuster Rie Vogel - de Jong tot Zich heeft genomen. De dienst van vorige week zondagmorgen, Avondmaal, heeft in haar kamer in Manna nog geklonken, met haar kinderen om haar heen; en ‘s middags riep de Here haar toen tot de maaltijd in de héérlijkheid.
Dat was vorige week.
Vandaag beginnen we aan een nieuw kerkelijk jaar. Eerste Advent.
Nou zullen de meesten van ons, zoals we hier vanmorgen bij elkaar zijn, zeg maar: geroutineerde kerkgangers zijn. En dat is mooi, dat is fijn, dat u er bent, dat u er eigenlijk altijd bent -- en tegelijk zit er ook een risico aan; je kunt ook zó geroutineerd zijn dat je nooit meer geráákt wordt, nooit verrást, dat het diepste puntje van je ziel, de diepste laag in je hart onaangeroerd blijft. En de binnenste motor van je leven, datgene wat je uiteindelijk beweegt, blijft ónder de radar van het Woord van God.
Lieve mensen, de Adventstijd, de tijd vóór Kerst, dat is de periode om je voor te bereiden op het wónder. Nee, níét je voorbereiden op de routine - want straks is ’t nou eenmaal weer Kerst, en waar zullen we heengaan, en vooral: wat zullen we eten - maar om er weer iets van te gaan beseffen, van het wonder waar wij met elkaar van leven.
Advent: stil worden voor de Here. Word je dat wel eens? Word jij wel eens stil voor God? Straks onder de collecte: stil voor Hem? Omdat je weet hebt van het wonder van Zijn liefde voor jou?
“Troost, troost mijn volk, zegt jullie God”.
Daar zitten ze, die mensen, in Babel, in de ballingschap. Koning Nebukadnezar was gekomen, met z’n legers. En de mensen in Jeruzalem hadden eerst nog gedacht: “Ach kom, God zal ons wel weer redden; dat heeft Hij altijd gedaan, dus waarom nou niet. Wij zijn toch Zijn volk; nee, dat komt wel weer goed”. Maar ’t kwam níét goed. En Jeruzalem was ingenomen, de muren en de huizen gesloopt, en zelfs de témpel, de plek waar God woonde, waar de ark van het verbond stond: alles lag in puin; er was niks meer van over. En de mensen waren gevangen genomen en weggevoerd, naar Babel, in wat nu Irak is.
En daar zitten ze dan, in de grootste ellende. Het onvoorstelbare is gebeurd: God heeft hen níét gered; Hij heeft ze in handen laten vallen van de vijand.
Kan God bóós worden? Ja, lieve mensen, dat kán Hij. Want Hij heeft een hárt. En als je Hem op Z’n hárt trapt, dan ráák je Hem, in het diepst van Z’n Goddelijk wezen. En wannéér doe je dat? Dat doe je, als je Zijn líéfde afwijst. Níét als je één of andere poppezonde doet - zoals Luther dat noemde - maar als je Néé zegt tegen Zijn liefde. Want Hij wil jou zo graag Zijn líéfde geven.
En zo is het gekomen. Het is één doffe ellende. En uitgeblust en leeg en hopeloos zitten ze daar, in dat verre, vreemde land, waar ze naar toe verbannen zijn.
En zal het nou ooit nog weer wat worden? Is er nog ergens licht? Mag je nog iets hopen? Of is dit het definitieve einde; want het houdt een keer op, laten we eerlijk wezen. Ja toch?
Lieve mensen, je hoeft niet in Babel te zitten om dit soort dingen te denken. Dat kan ook gewoon als je hier in Enschede woont, als je naar jezelf kijkt, naar je eigen leven; naar de wereld waar je deel van uitmaakt of naar de kerk waar je bij hoort. “Zal ’t ooit nog wat worden? Wat hebben we nou nog te verwachten?”
Broeders en zusters, dát is de situatie van Jesaja 40. Ik kan het niet mooier maken dan het is. Het is één grote ellende. Zoals wij mensen er soms van maken.
En dan: einde verhaal? Doe het boek nu maar definitief dicht? Sluip op kousevoeten weg, en laat niemand het merken?
Maar lieve mensen, dan ken je Gód nog niet!
Ja, ellénde, dat ís het. En jij ziet geen uitweg meer; voor jóú is alles donker. Maar Hij is Gód en geen méns.
En dan stuurt Hij, midden in de donkere nacht van Babel, Z’n profeet, en dan klinken daar op de straten van de stad van deze wereld ongehoorde klanken:
Troost, troost mijn volk, zegt jullie God.
Spreek Jeruzalem moed in.
Want de straf is betááld, er komt een éínd aan het oordeel. En nu keert zich Gods hart in Hem om, Hij ontfermt Zich weer over jullie; want Hij kan jullie niet vergeten, Hij is jullie Gód, en in Zijn hart is nog altijd zó’n grote liefde. Nee, níét omdat jullie dat verdíénen, omdat God er nog eens goed over nagedacht heeft en toen zei: “Ach, nou ja, ze konden er ook niet zoveel aan doen, die arme mensen, en ze zijn ook wel een beetje zielig, dus laat Ik er nou maar over ophouden” ---
zo soft is Hij niet. Maar hier is Gód, lieve mensen; zo is Hij en zo dóét Hij, omdat Hij Gód is en geen méns. Omdat de grenzen van Zijn liefde en genade zóveel wijder, zoveel dieper zijn dan die van ons. Terwijl wij elkaar allang afgeschreven hadden - en we zouden aan iedereen uitleggen waarom we daar het vólste recht toe hadden - want wij houden het niet langer met elkaar vol, en niemand kan verwachten dat ik het nu nóg een keer probeer -- maar Gód dóét het. Bijna zou je Hem willen vragen: “Wordt U dan nóóit wijzer? Leert U het nooit?”
En dan zou Hij zeggen: “Nee, want Mijzelf verloochenen kán Ik niet”.
En daarom loopt die profeet daar in Babel; en God heeft hem maar één opdracht gegeven: Zijn volk te tróósten. Niet te straffen, niet te slaan, niet het oordeel aan te zeggen -- zo wás het; en het was verdíénd. Maar nú zegt God: “Ga Mijn volk troosten, predik dit evangelie: Ik zelf kom bij jullie, Ik zoek jullie op; hier ben Ik. En ik ga je verlossen, Ik ga je terugbrengen; een nieuw begin, nieuw leven. Nee, niet van júllie uit, van de méns uit - want de mens is gras; het gras verdort, de bloem verwelkt, maar het Woord van onze God houdt eeuwig stand”. En daarom: Lees je Bijbel, bid elke dag, want hier ontmoet je je God, hier leer je Hem kennen; jouw Heer, jouw Bevrijder”.
Lieve mensen, zo laat de Here God een wonderlijk mooie boodschap verkondigen. Maar hoe weet je nou of ’t ook wáár is? Kijk, die profeet, die loopt daar in Babel; en hij vertelt heerlijke dingen, en je zou hem dolgraag geloven, maar er zijn al zo váák zulke enthousiastelingen geweest die van die mooie dromen hadden, en dan dacht je: “Yes, daar gáán we voor”, maar als erop aankwam, dan stelde het niks voor, dan stond je met lege handen. Hoe wéét je nou of het wáár is?
Ja, dat zeiden ze toen in Babel ook.
Dat kán, hè? Dat je zóveel hebt meegemaakt, dat je zo vaak teleurgesteld bent, dat het er niet meer doorheen komt, dat het niet meer tot je hart doordringt; dat je het -- nee, niet dat je het niet wilt geloven, maar je kúnt het niet meer. Daarvoor is er té veel gebeurd.
En dan gaat die profeet daar in Babel, die gaat vertellen over God; over wie Hij is. Weten jullie wel, zegt hij, hoe groot God is? Jullie denken dat Hij niks kan doen, nu jullie hier, in dat verre Babel zitten. Jullie denken dat Hij alleen in Juda, in Jeruzalem, in de tempel, een God is die iets voorstelt; maar daarbúíten, nou ja, daar heersen natuurlijk ándere machten. Zoals je soms ook hier in de kérk zit; want híér is Gód, oké, maar daarbuiten, op stráát, daar kun je niks met Hem. “Mensen: nee”, zegt God. “Moet je nou eens kijken. Ik ben geen kléíne God, Ik ben een gróte God, Ik ben de Schepper van hemel en aarde, Ik ben de Heer van de vólken; niet alleen van júllie, van één volk, niet alleen de Heer van de kérk, maar van heel de wéreld, van alles en iedereen.
Neem maar de wateren, de zeeën, de oceanen: onmetelijk groot, maar ze passen in Mijn holle hand”, zegt de Here.
“De hemel, het heelal, miljoenen lichtjaren groot: dat heb ik met M’n passer afgemeten.
En het stof van de aarde: met M’n maatschepje; zo’n ding wat je voor een koffiezetapparaat gebruikt.
De heuvels en de bergen, de Himalaya en de Mont Blanc: heb ik op M’n weegschaaltje gewogen.
Hele volken, alle Babyloniërs bij elkaar, alle Egyptenaren, Chinezen en Amerikanen samen: niet meer dan één druppel in Mijn emmer.
En dan denken júllie dat alles hopeloos is, en dat Ik jullie niet kan verlossen? Je denkt dat Ik je niet zie? Dat Ik het niet weet? Dat je alléén bent in die onmogelijk grote wereld, en dat niemand Zich je lot aantrekt?
Weet je het dan niet? Heb je het niet gehoord?
Een eeuwige God is de HEER,
schepper van de einden der aarde.
Hij wordt niet moe, Hij raakt niet uitgeput.”
Lieve broeders en zusters, wij hebben geen kléíne God, wij hebben een ontzaglijk gróte God.
Eigenlijk lijken wij vaak wel een beetje op die mensen daar in Babel. Natuurlijk, we gaan wel naar de kerk, en we geloven wel in God, maar of Hij nou ook écht op kan tegen de ellende in mijn leven, tegen de problemen waar ik in terechtgekomen ben..... Kijk, als alles góéd gaat, als je gezond bent, als je geen zorgen hebt en fluitend door het leven gaat: ja, dan is geloven niet zo moeilijk; dan zie je ‘t helemaal zitten; ja hoor, Halleluja, loof de Heer! Maar als ’t ánders is, als je dik in de prut zit, en misschien wel door je eigen schuld (zoals die mensen toen), dan wordt het een ander verhaal. En dan wéét je ’t allemaal niet zo zeker meer.
“Wacht even”, zegt God; “ben je dan vergeten wie Ik ben? Ben je zó onder de indruk geraakt van de machten van het kwaad en van deze wereld dat je nu écht denkt dat Ik daar niet tegenop kan? En dat Ik er alleen nog maar ben voor mooie, blije kerkdienstjes, en vrolijke liedjes enzo, maar zodra je buiten op straat staat begint het echte leven weer, met al z’n hardheid? En dan stap je een ándere, de échte wereld weer in?
Mensen, open je ogen, open je hart; hier ben Ik, Ik ben je God, en Ik bén niet te klein en te zwak om jullie te verlossen. Ik kom naar je toe, Ik ben op weg, het is Advent, en straks wordt het Kerst; dan gaat de hemel open, dan zal Ik deze aarde bestormen met het offensief van Mijn liefde; en alle kwade machten zal Ik dan het zwijgen opleggen.
Ik heb jóú op het oog. Ik kom, om jóú te verlossen.
Hou vol. Nog even! Want
wie hoopt op de HEER krijgt nieuwe kracht:
hij slaat zijn vleugels uit als een adelaar,
hij loopt, maar wordt niet moe,
hij rent, maar raakt niet uitgeput.”
Nieuwe kracht. Verlossing. Leven.
Advent.
Lieve mensen, wil je asjeblieft nooit denken dat het hopeloos is?
Amen.
|
|
|
|
|
Kopieerrechten:
© copyright Kerken.com, 2002 - 2010.
Niets uit deze uitgave mag gepubliceerd of vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden in welke vorm dan ook, zonder de voorafgaande schriftelijke toestemming van de webmaster van Kerken.com en de bijdragende predikant. Voor vermenigvuldiging ter voorbereiding van, en openbaarmaking tijdens de zondagse eredienst is het wenselijk dit even aan ons door te geven. Dit kan met behulp van het hiervoor bestemde formulier 'preek gebruiken'. Ter voorbereiding van bijbelstudie(bijeenkomsten) is geen toestemming nodig. | |
|