Home Inloggen Winkel Contact
 
Zoekbox
     
 
Zoekbox
Topmenu
Topmenu Home Topmenu Winkel Topmenu Links Topmenu Preken Topmenu Kerken Topmenu Overdenkingen Topmenu Agenda Topmenu Contact Topmenu
Topmenu

Afdelingen 1. Algemeen 2. Kennis Bassin 3. Kinderen 4. Meeting People 5. Muziek 6. Pastoraat 7. Winkel Bron toevoegen Beheer Informatie Diversen
Aangepast zoeken
 

Een rivier vol van vrede (2 Koningen 3:9-20)
Preek afkomstig van Ds. M.H.T. Biewenga van de Nederlands Gereformeerde Kerk te Enschede.

       

Liturgie

Zingen: Ps 108:1,2 OB
Votum en groet
Zingen: Gez 434:1,2
Doop Chantal Hulscher en Sacha Nelly Almekinders
Lezen formulier
Kinderen gr 1-4 naar voren
Zingen: Gez 334:1,3,5
Doop
Zingen: Ps 139:1,7,14 (staande)
Kinderen gr 1-4 naar BK
Gebed
Schriftlezing: 2 Koningen 3:9-20
Kinderen gr 5-8 naar voren. Gesprekje
Zingen: Een rivier vol van vrede (Evangelische Liedbundel 429)
Preek
Zingen: Heer, Uw licht en Uw liefde schijnen (Opwekking 334)
Aansporing: Matteüs 5:14-16
Gebed
Collecte
Zingen: Vrede van God (Opwekking 602)
Zegen

Preek

Jongens en meisjes, ik ga jullie iets vertellen; iets van toen ik - nou, ongeveer net zo oud was als jullie, ietsje jonger misschien; ik was 9. Dat weet ik precies, want toen zijn we verhuisd, toen ik 9 was. En toen kwamen we in een huis - in Zwolle was dat - en daar was een tuin bij, nou, dat was een puin-hoop; die hele tuin moest op de kop, moest helemaal opnieuw ingericht worden. En dat duurde na-tuurlijk best een tijd; eerst moest het húís op orde zijn, en tóén kwam pas die túín aan de beurt. En daarom mocht ik die zomer in die tuin een heleboel dingen doen die jullie vast niet mogen van je va-der en moeder.
En weet je wat ik toen gedáán heb? Toen heb ik, in die tuin, van vóór naar áchter, heb ik allemaal ka-nalen gegraven, geulen; níét zo díép, maar wél heel láng; door de héle tuin heen. ’t Was niet zo’n gróte tuin, maar toch. En toen ik daarmee kláár was - dat was best een hoop werk - toen mocht ik van m’n moeder de tuinslang aansluiten op de kraan, in de keuken, en dan het einde van die slang bij het be-gin van die kanalen; aan de ene kant van de tuin dus. Dat lag een beetje hóger dan de rest van de tuin. En dan zette ik de kraan aan, en dan ging het water lopen, en -- wat zou er dan gebéúren?
.....
Precies: na een tijdje liepen die kanalen vól met water. Ja, er zakte natuurlijk ook wel water in de grónd, maar als je maar láng genoeg wáchtte, dan kwamen ál die kanalen vól te staan met water. En dat wás toch leuk! En ik was toch blij dat die túín nog niet mooi was! Ja, láter was hij wél mooi, en toen mócht dat natuurlijk niet meer; maar éérst mocht dat wél. Kanalen graven in de tuin.
Heb je dat wel eens gedaan?
.....
Ja?

Vanmorgen gaat het in de preek ook over kanalen graven. Nou, níét in de tuin hoor. Maar wel: kanalen graven. Dát is eigenlijk wat vaders en moeders doen als ze kinderen vertellen over God en over de Here Jezus. Kanálen graven. En dan water: wáter van de Heilige Geest, dat díé in die kanalen komt. Tot ze helemaal vol zijn.
Probeer maar of je ’t kunt begrijpen.

Zingen: Een rivier vol van vrede (Evangelische Liedbundel 429)

=============================================================================

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

Kanalen graven, greppels graven; daar wil ik het vandaag met u over hebben, op deze zondag waarop Chantal en Sacha zijn gedoopt. Greppels graven. Dat dóén de Israëlieten namelijk, in 2 Koningen 3.
In de NBV kom je dat zo niet tegen; daar is het ánders vertaald. Vers 16: “Dit zegt de HEER: Graaf overal in de wadi kuilen”. Een wadi: dat is een beekbedding, maar dan één die niet permanént, maar alleen in de régentijd water bevat. In de dróge tijd is er geen wáter, maar alleen een bédding. En dan moeten ze dus - volgens de NBV - in die drooggevallen beekbedding kuilen gaan graven. En het idee is dan dat, als er water komt, dat dat dan niet gelijk weer voorbij stroomt en weg is, maar dat het in die kúílen blijft staan, zodat alle soldaten en alle beesten volop water hebben om te drinken.
Dat is de Níéuwe Bijbelvertaling, en dat valt ook te verdedigen. Maar ik hou het vandaag toch even op de óúde Nieuwe Vertaling; daar hebben ze ’t anders opgevat. Daar gaat het niet over een wádi, een beekbedding, maar over een dál - dat is dus gróter, dat is rúímer - en het gaat niet over kuilen, maar over greppels, door het hele dal heen. “Zo zegt de HERE: men make in dit dal vele gréppels”. Zó staat het in de vertaling van 1951.
Greppels graven dus.

Wat gebéúrt er, in 2 Koningen 3? er is een oorlog aan de gang. Drie koningen, in een vréémde coalitie - Tienstammenrijk, Tweestammenrijk, én Edom, de Edomieten - die staan op het punt om de strijd aan te binden met Moab, koning Mesa van de Moabieten.
Maar al vóór de oorlog werkelijk kan beginnen, dreigt die jammerlijk te mislukken. Want die drie konin-gen met hun legers hebben geen wáter meer. ‘t Was een lánge veldtocht geworden, ze hadden een ómtrekkende beweging gemaakt, en die had langer geduurd dan ze gedacht hadden; en nou hebben ze geen water meer.
En dan komt de profeet Elisa op het toneel. En nou laat ik een heleboel liggen waar het me vandaag niet om gaat. Het gaat me nu alleen om dat ene: het woord dat God spreekt door de mond van Elisa, vooral gericht tot Jósafat, de vróme koning Josafat van Juda. God zegt: “Het enige dat jullie hoeven doen, dat is gráven; gréppels graven, door dit hele dal heen. Vérder niks. De rest doe Ik. Ik zal zorgen dat ál die kanalen, al die greppels vól komen te staan met water”.
En zo gebeurt het. Ik weet niet wat die soldáten er van vonden; ik kan me zo voorstellen dat ze wel gemópperd zullen hebben (want ze snapten er natuurlijk niks van): “Hé commandant, zijn we niet een beetje in de war? Ik ben soldáát hoor, en geen gemééntearbeider; hier heb ik niet voor getekend”. Ja. Maar goed, het gebéúrde natuurlijk wel.
En toen ze kláár waren? Ik denk dat ze het toen wel gevráágd hebben: “En wat nu? ‘t Is léúk hoor, al die greppels, is weer eens wat ánders; maar we hebben nog steeds razende dorst; dat is alleen maar érger geworden. En wat gaan we nóú doen?”
Ja; niks dus. Afwachten. Vérwachten. Valt niet mee.
En pas de volgende morgen - en als je goed dorst hebt, dan is dat een halve eeuwigheid - dán zet God de kraan open. En vanuit de bergen van Edom komt er een massa water en die stroomt zo dat dal in. En iedereen, mens en dier, kan z’n dorst hélemaal lessen.
Want Gód zorgt, op Zijn tijd, voor water.

Vandaag zijn Chantal en Sacha gedoopt. En júllie, Harry en Francisca, en Johan en Renate: jullie hebben Ja gezegd op een aantal vragen. Je hebt daarmee - opnieuw - je gelóóf beleden, maar je hebt óók beloofd dat je je kind, je kinderén, zult vertellen over de Here Jezus, en dat je ze een voorbeeld zult geven van wat een leven als christen is. Jullie hebben belóófd -- en nou ga ‘k het een beetje apart zeggen -- dat je greppels gaat graven, waar het water van de Geest doorheen kan stromen, zodat het leven van jullie kinderen niet dor en doods zal zijn, maar vol van Geest en leven.
Greppels graven, dat is de taak die God heeft voor mensen op aarde.
Nou is er natuurlijk, lieve mensen, één groot verschil tussen dat verhaaltje dat ik daarnet aan de kinde-ren vertelde, én wat híér staat, in 2 Koningen 3, en hoe het gaat bij het opvoeden van kinderen. In dat verhááltje, daar was ik het die op een gegeven moment de kraan opendraaide. Hè, ik deed eigenlijk twéé dingen: ik groef de kanalen én ik zorgde dat er water in kwam. Béíde. En daar zit ‘m natuurlijk net het punt. Want de kéúkenkraan aanzetten, dat lukt ons wel, maar de gééstelijke kraan, dat is een ánder verhaal. Dat kan alleen God zélf, alleen de Heilige Geest.
Dat het gaat lópen, dat het gaat strómen, dat er iets gaat gebéúren: dat hebben wij niet in onze vin-gers. Áls dat gebéúrt, dan is het de Heilige Geest die dat doet. Dan is ’t een wónder van Gód.
Maar wij worden daar wél bij ingeschakeld. Wat wij mógen doen, wat wij móéten doen, dat is: kanalen graven. Greppels graven, zoveel mogelijk. Zodat, áls het water komt, er ook iets is waar het doorheen kan stromen zodat het z’n doel kan bereiken.

En nou even nadenken; want wáárom gingen ze daar die greppels graven? En die gewone soldaten, die zullen dat dus echt niet gesnapt hebben, maar ik denk voorál koning Josafat, die zei: “Dit gaan we doen; aan het werk”. En misschien vonden die beide ándere koningen het óók wel niks, maar ze gin-gen wél aan de slag. En wáárom deden ze dat nou? Lieve mensen, omdat ze wisten wie het zéí. Als dat zómaar iemand was geweest, dan hadden ze dat natuurlijk nooit gedaan. Maar ’t was Elísa; en die kénden ze; en ze wisten: Elisa verzint maar niet wat, maar die spreekt de woorden van God. En als jij het zegt, Elisa, als Gód het zegt, dan gaan wij graven; greppels in het dorre dal.
Lieve mensen, snáp je het? Greppels graven, in het kurkdroge land: dat kun je alleen maar doen: in gelóóf; in het diepe vertrouwen dat dat ook zín heeft, dat er straks werkelijk wáter zal komen; en dat wat nu nog dor en droog is, binnenkort vol zal zijn van levend water.
Greppels graven.

Wat zijn greppels? Als je kinderen gaat opvoeden, wat zijn dan van die greppels? Lieve mensen, dat zijn vormen die je kiest, dingen die je doet, die de Heilige Geest kan gebruiken om jóúw kind te berei-ken met het Woord van God. Daar moet je over nádenken. Vróéger hoefde dat misschien niet, maar vandáág moet dat wel; erover nadenken: Wélke dingen dóé ik? En welke doe ik niet? Wat geef ik m’n kind mee, als ik dit of dat doe?
Simpel voorbeeld: straks kom je thuis, na deze dienst. Wat dóé je dan, wat zég je dan? Is er dan al-léén koffie? Daarmee geef je iets mee aan je kinderen: de kerk als verplicht nummer. “Zo, dat hebben we ook weer gehad”. Óf kunnen je kinderen dan aan jou iets mérken; iets van: Hé, m’n vader en moe-der houden écht van de Here?
Nou, goed. Zóék daarnaar. Zoek naar góéie vormen, goeie greppels, waar het water van de Geest doorheen kan stromen.
Want, broeders en zusters, laten we ons daar niet in vergissen: het geloof heeft nu eenmaal bepaalde vormen nodig. Gáát het om die vormen? Nee, natuurlijk niet. Net zo min als het in 2 Koningen 3 om die gréppels gaat. Het gáát natuurlijk om dat wáter. Maar dat water moet wel ergens doorhéén kunnen stromen.
Laat ik het zo zeggen: het gáát niet om die greppels, om die vormen, maar het gaat ook niet zónder greppels, zónder vormen.
Wij hébben niet zoveel met vormen, met vaste gewoonten. Wij gaan veel meer voor de ínhoud, en níét voor de vórmen. Dat komt ook wel door een verleden waarin soms wel heel véél aandacht was voor de vórmen; en soms ook wel ten kóste van de inhoud. In reactie daarop zijn wij vaak wat achteloos geworden als het gaat om de vórmen van ons geloofsleven.
Ik wil vandaag een goed woordje doen voor gewóónten. Als u mij een beetje kent, dan weet u dat ik nog wel eens kritisch ben over gewoonten. En als het alléén maar gewoonten zijn, als ‘t een gelóóf is dat ook alleen maar in gewoonten bestáát, dan blijf ik daar kritisch over. Maar er zijn ook gewoonten, er zijn vórmen, die je op een goeie manier kunt gebruiken. Die je kunnen hélpen om de Heilige Geest te laten werken.

En dan denk ik aan heel simpele dingen als hardop bidden aan tafel; in eigen woorden, bedoel ik dan, niet een standaard-gebed, elke dag hetzelfde; dát wordt heel gauw een lége vorm, en dat moet dus juist níét!
Ik denk aan het lezen van een kínderbijbel - jullie hebben er vanmorgen één gekregen - máák daar wat van! Maak daar een féést van! Steek daar tijd en energie in!
Ik denk aan bidden voor het slapen gaan --
die hele basale, hele simpele dingen. Nog eens: het gáát níét om die vormen; maar het gaat ook niet zónder vormen. Vormen zijn de greppels, waarvan je hoopt en bidt dat God ze op Zijn tijd zal vullen met Zijn Geest.
En dat mogen dan natuurlijk ook níéuwe vormen zijn. “Ik ga slapen, ik ben moe” is op zich nog wel bruikbaar, maar langzamerhand toch wel wat oud geworden. En zeker regels als:
“Schoon mijn zonden vele zijn,
maak om Jezus’ wil mij rein”
die moet je vandaag niet meer aan je kinderen leren. Er zijn genoeg betere mogelijkheden. En daar moet je dan misschien wel even je bést voor doen om die te vínden; maar als je ziet wat er op ándere terreinen allemaal gedaan wordt om het kinderen aan niets te laten ontbreken, dan denk ik: ach, dan is het voor het meest wézenlijke in het leven van je kind toch niet te veel gevraagd als je daar óók wat voor moet doen.
De belángrijkste greppel trouwens, lieve mensen, dat is nog heel wat anders; dat is níét bijbellezen of bidden, maar dat is uw éígen geloof, dat is jóúw geloof. Dat de kinderen het, dóór al die dingen heen, kunnen merken: “M’n vader en moeder geloven het zélf. Ze ménen het. Ze hebben écht een band met die God in de hemel”.
Laat dát asjeblieft in jouw leven heel duidelijk zijn.

En nou lijkt het misschien, alsof ik het alleen heb tegen óúders, maar dat is niet waar. Ja, natuurlijk: die zijn de eerst-verantwoordelijken. Maar niet de énig-verantwoordelijken. Wij met z’n allen zijn méé verantwoordelijk.
Het is ook niet voor niks dat kinderen gedoopt worden in een kérkdienst, in het midden van de ge-meente. Dat doen we níét op een zaterdagmiddag, met alleen wat familieleden en genodigden -- de koninklijke familie doet het zo, geloof ik; maar dan ontbréékt er écht iets; dan ontbreekt er een ge-méénte; en die hoort er wézenlijk bij -- Chantal en Sacha zijn gedoopt in ons midden. U bent daar ge-tuige van, en daarmee hebben wij als gemeente, wij allemaal, ook een stukje mede-verantwoordelijkheid.

En nou had ik vanmorgen nog een hele hoop méér willen zeggen; vooral ook over het boekje dat ik in de laatste Tot Uw Dienst heb genoemd: “Als kinderen andere wegen gaan”, van Margriet van der Kooi en Wim ter Horst. Echt, ik zou dat in ieders hand en liever nog in ieders hart willen hebben. Niet alleen van vaders en moeders en opa’s en oma’s, maar van ons allemaal.
Want Sacha en Chantal hebben niet alleen liefde en zorg nodig van hun directe biologische familie, maar óók van ons allemáál, hun gééstelijke familie. Ze hebben een plekje nodig om iets te ervaren van: Hé, ik mag er óók bij horen; bij die ménsen, én bij die Here God. En iets daarvan mogen wij met z’n allen zichtbaar en tastbaar maken voor déze twee kleintjes, en voor álle kinderen in ons midden.
En dan kunnen wij ze nog steeds het geloof niet geven. Maar we kunnen wel greppels graven. En uit het diepst van ons hart bidden we de Here dat Hij het water zal laten stromen.
Zend Uw rivier,
laat Uw heil
deze kinderen en ons allemaal en onze kerk en
heel de aard vervullen.
Kom, Jezus, kom,
vul dit land met Uw heerlijkheid.

Amen.

Kopieerrechten: © copyright Kerken.com, 2002 - 2010.
Niets uit deze uitgave mag gepubliceerd of vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden in welke vorm dan ook, zonder de voorafgaande schriftelijke toestemming van de webmaster van Kerken.com en de bijdragende predikant. Voor vermenigvuldiging ter voorbereiding van, en openbaarmaking tijdens de zondagse eredienst is het wenselijk dit even aan ons door te geven. Dit kan met behulp van het hiervoor bestemde formulier 'preek gebruiken'. Ter voorbereiding van bijbelstudie(bijeenkomsten) is geen toestemming nodig.
 

Agenda
Boeken
Bijbel
kerk
Levensvragen
Links
Muziek
Nieuws
Overdenkingen
Preken


Kruis | Copyright 2003-2019 Kerken.com | deze pagina toevoegen aan favorieten | Contact | Disclaimer | A A A | Tell A Friend! | Kruis

 
tumblr site counter