| | Kerken.com \ Afdelingen \ Catechismus 
DE HEIDELBERGSE CATECHISMUS
|
Catechismus 40
| Vraag 105 | Wat eist God in het zesde gebod?
|
| Antwoord | Dat ik mijn naaste niet van zijn eer beroof, niet haat, kwets of
dood1. Dit mag ik niet doen met gedachten, woorden of gebaren
en nog veel minder met de daad, ook niet door middel van anderen, maar ik
moet juist alle wraakzucht afleggen2. Ook mag ik mijzelf
geen letsel toebrengen of moedwillig in gevaar begeven3. De
overheid draagt dan ook het zwaard om de doodslag te weren4.
|
| Vraag 106 | Het gaat dus in dit gebod niet alleen om doodslag?
|
| Antwoord | Nee. Door de doodslag te verbieden leert God ons ook dat Hij
afgunst1, haat2, toorn3 en wraakzucht als
de wortel van deze zonde haat en dat dit alles voor Hem doodslag
is4.
|
| Vraag 107 | Maar is het genoeg dat wij onze naaste, zoals gezegd, niet doden?
|
| Antwoord | Nee, want terwijl God afgunst, haat en toorn verbiedt, gebiedt Hij dat
wij onze naaste liefhebben als onszelf1, jegens hem geduldig,
vredelievend, zachtmoedig, barmhartig en vriendelijk zijn2,
zijn schade zoveel mogelijk voorkomen3 en dat wij ook onze
vijanden goed doen4.
|
|
|
|
|
|
 | |
|