Home Inloggen Winkel Contact
 
Zoekbox
     
 
Zoekbox
Topmenu
Topmenu Home Topmenu Winkel Topmenu Links Topmenu Preken Topmenu Kerken Topmenu Overdenkingen Topmenu Agenda Topmenu Contact Topmenu
Topmenu

Entree Afdelingen 1. Algemeen 2. Kennis Bassin 3. Kinderen 4. Meeting People 5. Muziek 6. Pastoraat 7. Winkel Bron toevoegen Beheer Informatie Diversen
Aangepast zoeken
 
Kerken.com \ Afdelingen \ Bijbel

Zoeken in Bijbel online

Hartelijk welkom op onze Bijbel afdeling. U kunt hier u favoriete bijbeltekst vinden door middel van een zoekopdracht of door het doorbladeren van de Bijbel. Ook kunt u uw onderwerp opzoeken in de Heidelbergse Catechismus.

  Bijbel:  
Bijbelboek:   Hoofdstuk:   


Zoekresultaat

Richteren

Hoofdstuk 14 (20 teksten gevonden)


1.  En Simson ging af naar Thimnath, en gezien hebbende een vrouw te Thimnath, van de dochteren der Filistijnen,
2.  Zo ging hij opwaarts, en gaf het zijn vader en zijn moeder te kennen, en zeide: Ik heb een vrouw gezien te Thimnath, van de dochteren der Filistijnen: nu dan, neemmij die tot een vrouw.
3.  Maar zijn vader zeide tot hem, mitsgaders zijn moeder: Is er geen vrouw onder de dochteren uwer broeders, en onder al mijn volk, dat gij heengaat, om een vrouw tenemen van de Filistijnen, die onbesnedenen? En Simson zeide tot zijn vader: Neem mij die, want zij is bevallig in mijn ogen.
4.  Zijn vader nu en zijn moeder wisten niet, dat dit van den HEERE was, dat hij gelegenheid zocht van de Filistijnen: want de Filistijnen heersten te dier tijd over Israel.
5.  Alzo ging Simson, met zijn vader en zijn moeder, henen af naar Thimnath. Als zij nu kwamen tot aan de wijngaarden van Thimnath, ziet daar, een jonge leeuw,brullende hem tegemoet.
6.  Toen werd de Geest des HEEREN vaardig over hem, dat hij hem van een scheurde, gelijk men een bokje van een scheurt, en er was niets in zijn hand: doch hij gafzijn vader en zijn moeder niet te kennen, wat hij gedaan had.
7.  En hij kwam af, en sprak tot de vrouw: en zij beviel in Simsons ogen.
8.  En na sommige dagen kwam hij weder, om haar te nemen: toen week hij af, om het aas van de leeuw te bezien, en ziet, een bijenzwerm was in het lichaam van denleeuw, met honig.
9.  En hij nam dien in zijn handen, en ging voort, al gaande en etende: en hij ging tot zijn vader en tot zijn moeder, en gaf hun daarvan, en zij aten: doch hij gaf hun niette kennen, dat hij den honig uit het lichaam van den leeuw genomen had.
10.  Als nu zijn vader afgekomen was tot die vrouw, zo maakte Simson aldaar een bruiloft, want alzo plachten de jongelingen te doen.
11.  En het geschiedde, als zij hem zagen, zo namen zij dertig metgezellen, die bij hem zouden zijn.
12.  Simson dan zeide tot hen: Ik zal nu ulieden een raadsel te raden geven: indien gij mij dat in de zeven dagen dezer bruiloft wel zult verklaren en uitvinden, zo zal ikulieden geven dertig fijne lijnwaadsklederen, en dertig wisselklederen.
13.  En indien gij het mij niet zult kunnen verklaren, zo zult gijlieden mij geven dertig fijne lijnwaadsklederen, en dertig wisselklederen. En zij zeiden tot hem: Geef uwraadsel te raden, en laat het ons horen.
14.  En hij zeide tot hen: Spijze ging uit van den eter, en zoetigheid ging uit van de sterke. En zij konden dat raadsel in drie dagen niet verklaren.
15.  Daarna geschiedde het op den zevenden dag, dat zij tot de huisvrouw van Simson zeiden: Overreed uw man, dat hij ons dat raadsel verklare, opdat wij nietmisschien u, en het huis uws vaders, met vuur verbranden. Hebt gijlieden ons genodigd, om het onze te bezitten: is het zo niet?
16.  En Simsons huisvrouw weende voor hem en zeide: Gij haat mij maar, en hebt mij niet lief: gij hebt den kinderen mijns volks een raadsel te raden gegeven, en hebthet mij niet verklaard. En hij zeide tot haar: Zie, ik heb het mijn vader en mijn moeder niet verklaard, zou ik het u dan verklaren?
17.  En zij weende voor hem, op den zevenden der dagen in dewelke zij deze bruiloft hadden: zo geschiedde het op den zevenden dag, dat hij het haar verklaarde, wantzij perste hem: en zij verklaarde dat raadsel den kinderen haars volks.
18.  Toen zeiden de mannen der stad tot hem, op den zevenden dag, eer de zon onderging: Wat is zoeter dan honig? en wat is sterker dan een leeuw? En hij zeide tothen: Zo gij met mijn kalf niet hadt geploegd, gij zoudt mijn raadsel niet hebben uitgevonden.
19.  Toen werd de Geest des HEEREN vaardig over hem, en hij ging af naar de Askelonieten, en sloeg van hen dertig man: en hij nam hun gewaad, en gaf dewisselklederen aan degenen, die dat raadsel verklaard hadden. Doch zijn toorn ontstak, en hij ging op in zijns vaders huis.
20.  En de huisvrouw van Simson werd zijns metgezels, die hem vergezelschapt had. Richteren 15


[vorige hoofdstuk] - [volgende hoofdstuk]

 

Agenda
Boeken
Bijbel
kerk
Levensvragen
Links
Muziek
Nieuws
Overdenkingen
Preken


Kruis | Copyright 2003-2019 Kerken.com | deze pagina toevoegen aan favorieten | Contact | Disclaimer | A A A | Tell A Friend! | Kruis

 
tumblr site counter