Home Inloggen Winkel Contact
 
Zoekbox
     
 
Zoekbox
Topmenu
Topmenu Home Topmenu Winkel Topmenu Links Topmenu Preken Topmenu Kerken Topmenu Overdenkingen Topmenu Agenda Topmenu Contact Topmenu
Topmenu

Entree Afdelingen 1. Algemeen 2. Kennis Bassin 3. Kinderen 4. Meeting People 5. Muziek 6. Pastoraat 7. Winkel Bron toevoegen Beheer Informatie Diversen
Aangepast zoeken
 
Kerken.com \ Afdelingen \ Bijbel

Zoeken in Bijbel online

Hartelijk welkom op onze Bijbel afdeling. U kunt hier u favoriete bijbeltekst vinden door middel van een zoekopdracht of door het doorbladeren van de Bijbel. Ook kunt u uw onderwerp opzoeken in de Heidelbergse Catechismus.

  Bijbel:  
Bijbelboek:   Hoofdstuk:   


Zoekresultaat

Deuteronomium

Hoofdstuk 15 (23 teksten gevonden)


1.  Ten einde van zeven jaren zult gij een vrijlating maken.
2.  Dit nu is de zaak der vrijlating, dat ieder schuldheer, die zijn naaste zal geleend hebben, vrijlate: hij zal zijn naaste of zijn broeder niet manen, dewijl men den HEEREeen vrijlating heeft uitgeroepen.
3.  Den vreemde zult gij manen: maar wat gij bij uw broeder hebt, zal uw hand vrijlaten:
4.  Alleenlijk, omdat er geen bedelaar onder u zal zijn: want de HEERE zal u overloediglijk zegenen in het land, dat u de HEERE, uw God, ten erve zal geven, omhetzelve erfelijk te bezitten:
5.  Indien gij slechts de stem des HEEREN, uws Gods, vlijtiglijk zult gehoorzamen, dat gij waarneemt te doen al deze geboden, die ik u heden gebiede.
6.  Want de HEERE, uw God, zal u zegenen, gelijk als Hij tot u heeft gesproken, zo zult gij aan vele volken lenen: maar gij zult niet ontlenen: en gij zult over vele volkenheersen: maar over u zullen zij niet heersen.
7.  Wanneer er onder u een arme zal zijn, een uit uw broederen, in een uwer poorten, in uw land, dat de HEERE, uw God, u geven zal, zo zult gij uw hart niet verstijven,noch uw hand toesluiten voor uw broeder, die arm is:
8.  Maar gij zult hem uw hand mildelijk opendoen, en zult hem rijkelijk lenen, genoeg voor zijn gebrek, dat hem ontbreekt.
9.  Wacht u, dat in uw hart geen Belials-woord zij, om te zeggen: Het zevende jaar, het jaar der vrijlating, naakt: dat uw oog boos zij tegen uw broeder, die arm is, endat gij hem niet gevet: en hij over u roepe tot den HEERE, en zonde in u zij.
10.  Gij zult hem mildelijk geven, en uw hart zal niet boos zijn, als gij hem geeft: want om dezer zake wil zal u de HEERE, uw God, zegenen in al uw werk, en in alles,waaraan gij uw hand slaat.
11.  Want de arme zal niet ophouden uit het midden des lands: daarom gebiede ik u, zeggende: Gij zult uw hand mildelijk opendoen aan uw broeder, aan uw bedrukten enaan uw armen in uw land.
12.  Wanneer uw broeder, een Hebreer of een Hebreinne, aan u verkocht zal zijn, zo zal hij u zes jaren dienen: maar in het zevende jaar zult gij hem vrij van u latengaan.
13.  En als gij hem vrij van u gaan laat, zo zult gij hem niet ledig laten gaan:
14.  Gij zult hem rijkelijk opleggen van uw kudde, en van uw dorsvloer, en van uw wijnpers: waarin u de HEERE, uw God, gezegend heeft, daarvan zult gij hem geven.
15.  En gij zult gedenken, dat gij een dienstknecht in Egypteland geweest zijt, en dat u de HEERE, uw God, verlost heeft: daarom gebiede ik u heden deze zake.
16.  Maar het zal geschieden, als hij tot u zeggen zal: Ik zal niet van u uitgaan, omdat hij u en uw huis liefheeft, dewijl het hem wel bij u is:
17.  Zo zult gij een priem nemen, en steken in zijn oor en in de deur, en hij zal eeuwiglijk uw dienstknecht zijn: en aan uw dienstmaagd zult gij ook alzo doen.
18.  Het zal niet hard zijn in uw ogen, als gij hem vrij van u gaan laat: want als een dubbel-loons-dagloner heeft hij u zes jaren gediend: zo zal u de HEERE, uw God,zegenen in alles, wat gij doen zult.
19.  Al het eerstgeborene, dat onder uw runderen en onder uw schapen zal geboren worden, zijnde mannelijk, zult gij den HEERE, uw God, heiligen: gij zult niet arbeidenmet den eerstgeborene van uw os, noch de eerstgeborene uwer schapen scheren.
20.  Voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, zult gij ze jaar op jaar eten in de plaats, die de HEERE zal verkiezen, gij en uw huis.
21.  Doch als enig gebrek daaraan zal zijn, hetzij mank of blind, of enig kwaad gebrek, zo zult gij het den HEERE, uw God, niet offeren:
22.  In uw poorten zult gij het eten: de onreine en de reine te zamen, als een ree, en als een hert,
23.  Zijn bloed alleen zult gij niet eten: gij zult het op de aarde uitgieten als water.


[vorige hoofdstuk] - [volgende hoofdstuk]

 

Agenda
Boeken
Bijbel
kerk
Levensvragen
Links
Muziek
Nieuws
Overdenkingen
Preken


Kruis | Copyright 2003-2019 Kerken.com | deze pagina toevoegen aan favorieten | Contact | Disclaimer | A A A | Tell A Friend! | Kruis

 
tumblr site counter