Home Inloggen Winkel Contact
 
Zoekbox
     
 
Zoekbox
Topmenu
Topmenu Home Topmenu Winkel Topmenu Links Topmenu Preken Topmenu Kerken Topmenu Overdenkingen Topmenu Agenda Topmenu Contact Topmenu
Topmenu

Entree Afdelingen 1. Algemeen 2. Kennis Bassin 3. Kinderen 4. Meeting People 5. Muziek 6. Pastoraat 7. Winkel Bron toevoegen Beheer Informatie Diversen
Aangepast zoeken
 
Kerken.com \ Afdelingen \ Bijbel

Zoeken in Bijbel online

Hartelijk welkom op onze Bijbel afdeling. U kunt hier u favoriete bijbeltekst vinden door middel van een zoekopdracht of door het doorbladeren van de Bijbel. Ook kunt u uw onderwerp opzoeken in de Heidelbergse Catechismus.

  Bijbel:  
Bijbelboek:   Hoofdstuk:   


Zoekresultaat

Jeremia

Hoofdstuk 30 (24 teksten gevonden)


1.  Het woord, dat tot Jeremia geschied is van den HEERE, zeggende:
2.  Zo spreekt de HEERE, de God Israels, zeggende: Schrijf u al de woorden, die Ik tot u gesproken heb, in een boek.
3.  Want zie, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik de gevangenis van Mijn volk, Israel en Juda, wenden zal, zegt de HEERE: en Ik zal hen wederbrengen in het land, dat Ik hunvaderen gegeven heb, en zij zullen het erfelijk bezitten.
4.  En dit zijn de woorden, die de HEERE gesproken heeft van Israel en van Juda.
5.  Want zo zegt de HEERE: Wij horen een stem der verschrikking: er is vrees en geen vrede.
6.  Vraagt toch en ziet, of een manspersoon baart? Waarom zie Ik dan eens iegelijken mans handen op zijn lenden, als van een barende vrouw, en alle aangezichten veranderd inbleekheid?
7.  O wee! want die dag is zo groot, dat zijns gelijke niet geweest is: en het is een tijd van benauwdheid voor Jakob: nog zal hij daaruit verlost worden.
8.  Want het zal te dien dage geschieden, spreekt de HEERE der heirscharen, dat Ik zijn juk van uw hals verbreken, en uw banden verscheuren zal: en vreemden zullen zich nietmeer van hem doen dienen.
9.  Maar zij zullen dienen den HEERE, hun God, en hun koning David, dien Ik hun verwekken zal.
10.  Gij dan, vrees niet, o Mijn knecht Jakob! spreekt de HEERE, ontzet u niet, Israel! want zie, Ik zal u uit verre landen verlossen, en uw zaad uit het land hunner gevangenis: en Jakobzal wederkomen, en stil en gerust zijn, en er zal niemand zijn, die hem verschrikke.
11.  Want Ik ben met u, spreekt de HEERE, om u te verlossen: want Ik zal een voleinding maken met al de heidenen, waarhenen Ik u verstrooid heb: maar met u zal Ik geenvoleinding maken: maar Ik zal u kastijden met mate, en u niet gans onschuldig houden.
12.  Want zo zegt de HEERE: Uw breuk is dodelijk, uw plage is smartelijk.
13.  Er is niemand, die uw zaak oordeelt, aangaande het gezwel: gij hebt geen heelpleisters.
14.  Al uw liefhebbers hebben u vergeten, zij vragen niet naar u: want Ik heb u geslagen met eens vijands plage, met de kastijding eens wreden: om de grootheid uwerongerechtigheid, omdat uw zonden machtig veel zijn.
15.  Wat krijt gij over uw breuk, dat uw smart dodelijk is? Om de grootheid uwer ongerechtigheid, omdat uw zonden machtig veel zijn, heb Ik u deze dingen gedaan.
16.  Daarom, allen, die u opeten, zullen opgegeten worden, en al uw wederpartijders, zij allen zullen gaan in gevangenis: en die u beroven, zullen ter beroving zijn, en allen, die uplunderen, zal Ik ter plundering overgeven.
17.  Want Ik zal u de gezondheid doen rijzen, en u van uw plagen genezen, spreekt de HEERE: omdat zij u noemen: De verdrevene. Het is Sion, zeggen zij: niemand vraagt naar haar.
18.  Zo zegt de HEERE: Ziet, Ik zal de gevangenis der tenten Jakobs wenden, en Mij over hun woningen ontfermen: en de stad zal herbouwd worden op haar hoop, en het paleis zalliggen naar zijn wijze.
19.  En van hen zal dankzegging uitgaan, en een stem der spelenden: en Ik zal hen vermeerderen, en zij zullen niet verminderd worden, en Ik zal hen verheerlijken, en zij zullen nietgering worden.
20.  En zijn zonen zullen zijn als eertijds, en zijn gemeente zal voor Mijn aangezicht bevestigd worden: en Ik zal bezoeking doen over al zijn onderdrukkers.
21.  En zijn Heerlijke zal uit hem zijn, en zijn Heerser uit het midden van hem voortkomen: en Ik zal hem doen naderen, en hij zal tot Mij genaken: want wie is hij, die met zijn hart borgworde, om tot Mij te genaken? spreekt de HEERE.
22.  En gij zult Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot een God zijn.
23.  Ziet, een onweder des HEEREN, een grimmigheid is uitgegaan, een aanhoudend onweder: het zal blijven op het hoofd der goddelozen.
24.  De hittigheid van des HEEREN toorn zal zich niet afwenden, totdat Hij gedaan, en totdat Hij daargesteld zal hebben de gedachten Zijns harten: in het laatste der dagen zult gijdaarop letten.


[vorige hoofdstuk] - [volgende hoofdstuk]

 

Agenda
Boeken
Bijbel
kerk
Levensvragen
Links
Muziek
Nieuws
Overdenkingen
Preken


Kruis | Copyright 2003-2019 Kerken.com | deze pagina toevoegen aan favorieten | Contact | Disclaimer | A A A | Tell A Friend! | Kruis

 
tumblr site counter