Home Inloggen Winkel Contact
 
Zoekbox
     
 
Zoekbox
Topmenu
Topmenu Home Topmenu Winkel Topmenu Links Topmenu Preken Topmenu Kerken Topmenu Overdenkingen Topmenu Agenda Topmenu Contact Topmenu
Topmenu

Entree Afdelingen 1. Algemeen 2. Kennis Bassin 3. Kinderen 4. Meeting People 5. Muziek 6. Pastoraat 7. Winkel Bron toevoegen Beheer Informatie Diversen
Aangepast zoeken
 
Kerken.com \ Afdelingen \ Bijbel

Zoeken in Bijbel online

Hartelijk welkom op onze Bijbel afdeling. U kunt hier u favoriete bijbeltekst vinden door middel van een zoekopdracht of door het doorbladeren van de Bijbel. Ook kunt u uw onderwerp opzoeken in de Heidelbergse Catechismus.

  Bijbel:  
Bijbelboek:   Hoofdstuk:   


Zoekresultaat

Jesaja

Hoofdstuk 36 (22 teksten gevonden)


1.  En het geschiedde in het veertiende jaar van den koning Hizkia, dat Sanherib, de koning van Assyrie, optoog tegen alle vaste steden van Juda, en nam ze in.
2.  En de koning van Assyrie zond Rabsake van Lachis naar Jeruzalem tot den koning Hizkia, met een zwaar heir: en hij stond aan den watergang des oppersten vijvers, aan denhogen weg van het veld des vollers.
3.  Toen ging tot hem uit Eljakim, de zoon van Hilkia, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier.
4.  En Rabsake zeide tot hen: Zegt nu tot Hizkia: Zo zegt de grote koning, de koning van Assyrie: Wat vertrouwen is dit, waarmede gij vertrouwt:
5.  Ik mocht zeggen (doch het is een woord der lippen): Er is raad en macht tot den oorlog: op wien vertrouwt gij nu, dat gij tegen mij rebelleert?
6.  Zie, gij vertrouwt op dien gebrokenen rietstaf, op Egypte: op denwelken zo iemand leunt, zo zal hij in zijn hand gaan en die doorboren: alzo is Farao, de koning van Egypte, aldengenen, die op hem vertrouwen.
7.  Maar zo gij tot mij zegt: Wij vertrouwen op den HEERE, onzen God: is Hij Die niet, Wiens hoogten en Wiens altaren Hizkia weggenomen heeft, en Die tot Juda en tot Jeruzalemgezegd heeft: Voor dit altaar zult gij u nederbuigen?
8.  Nu dan, wed toch met mijn heer, den koning van Assyrie: en ik zal u twee duizend paarden geven, zo gij voor u de ruiters daarop zult kunnen geven.
9.  Hoe zoudt gij dan het aangezicht van een enigen vorst, van de geringste knechten mijns heren, afkeren? Maar gij vertrouwt op Egypte, om de wagenen en om de ruiteren.
10.  En nu ben ik zonder den HEERE opgetogen tegen dit land, om dat te verderven. De HEERE heeft tot mij gezegd: Trek op tegen dat land, en verderf het.
11.  Toen zeide Eljakim, en Sebna, en Joah tot Rabsake: Spreek toch tot uw knechten in het Syrisch, want wij verstaan het wel: en spreek niet met ons in het Joods, voor de oren desvolks, dat op den muur is.
12.  Maar Rabsake zeide: Heeft mijn heer mij tot uw heer en tot u gezonden, om deze woorden te spreken? Is het niet tot de mannen, die op den muur zitten, dat zij met ulieden hundrek eten, en hun water drinken zullen?
13.  Alzo stond Rabsake, en riep met luider stem in het Joods, en zeide: Hoort de woorden des groten konings, des konings van Assyrie!
14.  Alzo zegt de koning: Dat Hizkia u niet bedriege, want hij zal u niet kunnen redden.
15.  Daartoe, dat Hizkia u niet doe vertrouwen op den HEERE, zeggende: De HEERE zal ons zekerlijk redden: deze stad zal niet in de hand des konings van Assyrie gegeven worden.
16.  Hoort naar Hizkia niet: want alzo zegt de koning van Assyrie: Handelt met mij door een geschenk, en komt tot mij uit, en eet, een ieder van zijn wijnstok, en een ieder van zijnvijgeboom, en drinkt een ieder het water zijns bornputs:
17.  Totdat ik kom en u haal in een land, als ulieder land is, een land van koren en van most, een land van brood en van wijngaarden.
18.  Dat Hizkia ulieden niet verleide, zeggende: De HEERE zal ons redden: hebben de goden der volken, een ieder zijn land, gered uit de hand des konings van Assyrie?
19.  Waar zijn de goden van Hamath en Arpad? Waar zijn de goden van Sefarvaim? Hebben zij ook Samaria van mijn hand gered?
20.  Welke zijn ze onder al de goden dezer landen, die hun land uit mijn hand gered hebben, dat de HEERE Jeruzalem uit mijn hand zou redden?
21.  Doch zij zwegen stil, en antwoordden hem niet een woord: want het gebod des konings was, zeggende: Gij zult hem niet antwoorden.
22.  Toen kwam Eljakim, de zoon van Hilkia, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier, tot Hizkia met gescheurde klederen: en zij gaven hemde woorden van Rabsake te kennen. Jesaja 37


[vorige hoofdstuk] - [volgende hoofdstuk]

 

Agenda
Boeken
Bijbel
kerk
Levensvragen
Links
Muziek
Nieuws
Overdenkingen
Preken


Kruis | Copyright 2003-2019 Kerken.com | deze pagina toevoegen aan favorieten | Contact | Disclaimer | A A A | Tell A Friend! | Kruis

 
tumblr site counter