Home Inloggen Winkel Contact
 
Zoekbox
     
 
Zoekbox
Topmenu
Topmenu Home Topmenu Winkel Topmenu Links Topmenu Preken Topmenu Kerken Topmenu Overdenkingen Topmenu Agenda Topmenu Contact Topmenu
Topmenu

Entree Afdelingen 1. Algemeen 2. Kennis Bassin 3. Kinderen 4. Meeting People 5. Muziek 6. Pastoraat 7. Winkel Bron toevoegen Beheer Informatie Diversen
Aangepast zoeken
 
Kerken.com \ Afdelingen \ Bijbel

Zoeken in Bijbel online

Hartelijk welkom op onze Bijbel afdeling. U kunt hier u favoriete bijbeltekst vinden door middel van een zoekopdracht of door het doorbladeren van de Bijbel. Ook kunt u uw onderwerp opzoeken in de Heidelbergse Catechismus.

  Bijbel:  
Bijbelboek:   Hoofdstuk:   


Zoekresultaat

Exodus

Hoofdstuk 34 (58 teksten gevonden)


1.  Voorts sprak de HEERE tot Mozes: Ga heen, trek op van hier, gij en het volk,dat gij uit Egypteland opgevoerd hebt, naar het land, dat Ik Abraham, Izak enJakob gezworen heb, zeggende: Aan uw zaad zal Ik het geven:
1.  Toen zeide de HEERE tot Mozes: Houw u twee stenen tafelen, gelijk de eerste waren, zo zal Ik op de tafelen schrijven dezelfde woorden, die op de eerste tafelengeweest zijn, die gij gebroken hebt.
2.  En Ik zal een Engel voor uw aangezicht zenden (en Ik zal uitdrijven deKanaanieten, de Amorieten, en de Hethieten, en de Ferezieten, de Hevieten, ende Jebusieten),
2.  En wees bereid tegen den morgenstond: dat gij in den morgenstond op den berg Sinai klimt, en stel u aldaar voor Mij, op den top des bergs.
3.  Naar het land, dat van melk en honig is vloeiende: want Ik zal in het midden van uniet optrekken: want gij zijt een hardnekkig volk: dat Ik u op dezen weg nietvertere.
3.  En niemand zal met u opklimmen: dat er ook niemand gezien worde op den gansen berg: ook het kleine vee, noch runderen zullen tegenover dezen berg niet weiden.
4.  Toen het volk dit kwade woord hoorde, zo droegen zij leed: en niemand van hendeed zijn versiersel aan zich.
4.  Toen hieuw hij twee stenen tafelen, gelijk de eerste: en Mozes stond des morgens vroeg op, en klom op den berg Sinai, gelijk als hem de HEERE geboden had: enhij nam de twee stenen tafelen in zijn hand.
5.  En de HEERE had tot Mozes gezegd: Zeg tot de kinderen Israels: Gij zijt eenhardnekkig volk: in een ogenblik zou Ik in het midden van ulieden optrekken, enzou u vernielen: doch nu, legt uw sieraad van u af, en Ik zal weten, wat Ik u doenzal.
5.  De HEERE nu kwam nederwaarts in een wolk, en stelde Zich aldaar bij hem: en Hij riep uit den Naam des HEEREN.
6.  De kinderen Israels dan beroofden zichzelven van hun versierselen, verre van denberg Horeb.
6.  Als nu de HEERE voor zijn aangezicht voorbijging, zo riep Hij: HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid.
7.  En Mozes nam de tent, en spande ze zich buiten het leger, ver van het legerafwijkende: en hij noemde ze de Tent der samenkomst. En het geschiedde, dat alwie den HEERE zocht, uitging tot de tent der samenkomst, die buiten het legerwas.
7.  Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft: Die den schuldige geenszins onschuldig houdt,bezoekende de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen, en aan de kindskinderen, in het derde en vierde lid.
8.  En het geschiedde, wanneer Mozes uitging naar de tent, stond al het volk op, eneen ieder stelde zich in de deur zijner tent: en zij zagen Mozes na, totdat hij detent ingegaan was.
8.  Mozes nu haastte zich en neigde het hoofd ter aarde, en hij boog zich.
9.  En het geschiedde, als Mozes de tent ingegaan was, zo kwam de wolkkolomnederwaarts, en stond in de deur der tent, en Hij sprak met Mozes.
9.  En hij zeide: Heere! indien ik nu genade gevonden heb in Uw ogen, zo ga nu de Heere in het midden van ons, want dit is een hardnekkig volk: doch vergeef onzeongerechtigheid en onze zonde, en neem ons aan tot een erfdeel!
10.  Als het volk de wolkkolom zag staan in de deur der tent, zo stond al het volk op,en zij bogen zich, een ieder in de deur zijner tent.
10.  Toen zeide Hij: Zie, Ik maak een verbond: voor uw ganse volk zal Ik wonderen doen, die niet geschapen zijn op de ganse aarde, noch onder enige volken: alzo datdit ganse volk, in welks midden gij zijt, des HEEREN werk zien zal, dat het schrikkelijk is, hetwelk Ik met u doe.
11.  En de HEERE sprak tot Mozes aangezicht tot aangezicht, gelijk een man met zijnvriend spreekt: daarna keerde hij weder tot het leger: doch zijn dienaar Jozua, dezoon van Nun, de jongeling, week niet uit het midden der tent.
11.  Onderhoudt gij hetgeen Ik u heden gebiede! zie, Ik zal voor uw aangezicht uitdrijven de Amorieten, en de Kanaanieten, en de Hethieten, en de Ferezieten, en deHevieten, en de Jebusieten.
12.  En Mozes zeide tot den HEERE: Zie, Gij zegt tot mij: Voer dit volk op! maar Gijlaat mij niet weten, wien Gij met mij zult zenden: daar Gij gezegd hebt: Ik ken ubij name! en ook: Gij hebt genade gevonden in Mijn ogen!
12.  Wacht u, dat gij toch geen verbond maakt met den inwoners des lands, waarin gij komen zult: dat hij misschien niet tot een strik worde in het midden van u.
13.  Nu dan, ik bidde, indien ik genade gevonden heb in Uw ogen, zo laat mij nu Uwweg weten, en ik zal U kennen, opdat ik genade vinde in Uw ogen: en zie aan, datdeze natie Uw volk is!
13.  Maar hun altaren zult gijlieden omwerpen, en hun opgerichte beelden zult gij verbreken, en hun bossen zult gij afhouwen.
14.  Hij dan zeide: Zou Mijn aangezicht moeten medegaan, om u gerust te stellen?
14.  (Want gij zult u niet buigen voor een anderen god: want des HEEREN Naam is Ijveraar! een ijverig God is Hij!)
15.  Toen zeide hij tot Hem: Indien Uw aangezicht niet medegaan zal, doe ons van hierniet optrekken!
15.  Opdat gij misschien geen verbond maakt met den inwoner van dat land: en zij hun goden niet nahoereren, noch hun goden offerande doen, en hij u nodigende, gij vanhun offerande etet.
16.  Want waarbij zou nu bekend worden, dat ik genade gevonden heb in Uw ogen,ik en Uw volk? Is het niet daarbij, dat Gij met ons gaat? Alzo zullen wijafgezonderd worden, ik en Uw volk, van alle volk, dat op den aardbodem is.
16.  En gij voor uw zonen vrouwen neemt van hun dochteren: en hun dochteren, haar goden nahoererende, maken, dat ook uw zonen haar goden nahoereren.
17.  Toen zeide de HEERE tot Mozes: Ook deze zelfde zaak, die gij gesproken hebt,zal Ik doen, dewijl gij genade gevonden hebt in Mijn ogen, en Ik u bij name ken.
17.  Gij zult u geen gegoten goden maken.
18.  Toen zeide hij: Toon mij nu Uw heerlijkheid!
18.  Het feest der ongezuurde broden zult gij houden: zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten, gelijk Ik u geboden heb, ter gezetter tijd der maand Abib: want in demaand Abib zijt gij uit Egypte uitgegaan.
19.  Doch Hij zeide: Ik zal al Mijn goedigheid voorbij uw aangezicht laten gaan, en zalden Naam des HEEREN uitroepen voor uw aangezicht: maar Ik zal genadig zijn,wien Ik zal genadig zijn, en Ik zal Mij ontfermen, over wien Ik Mij ontfermen zal.
19.  Al wat de baarmoeder opent, is Mijn: ja, al uw vee, dat mannelijk zal geboren worden, openende de baarmoeder van het grote en kleine vee.
20.  Hij zeide verder: Gij zoudt Mijn aangezicht niet kunnen zien: want Mij zal geenmens zien, en leven.
20.  Doch den ezel, die de baarmoeder opent, zult gij met een stuk klein vee lossen: maar indien gij hem niet zult lossen, zo zult gij hem den nek breken. Al deeerstgeborenen uwer zonen zult gij lossen, en men zal voor Mijn aangezicht niet ledig verschijnen.
21.  De HEERE zeide verder: Zie, er is een plaats bij Mij: daar zult gij u op desteenrots stellen.
21.  Zes dagen zult gij arbeiden, maar op den zevenden dag zult gij rusten: in den ploegtijd en in den oogst zult gij rusten.
22.  En het zal geschieden, wanneer Mijn heerlijkheid voorbij zal gaan, zo zal Ik u ineen kloof der steenrots zetten: en Ik zal u met Mijn hand overdekken, totdat Ikzal voorbijgegaan zijn.
22.  Het feest der weken zult gij ook houden, zijnde het feest der eerstelingen van den tarweoogst, en het feest der inzameling, als het jaar om is.
23.  En wanneer Ik Mijn hand zal weggenomen hebben, zo zult gij Mijn achterstedelen zien: maar Mijn aangezicht zal niet gezien worden.Exodus 34
23.  Al wat mannelijk is onder u zal driemaal in het jaar verschijnen voor het aangezicht des Heeren HEEREN, den God van Israel.
24.  Wanneer Ik de volken voor uw aangezicht uit de bezitting zal verdrijven, en uw landpalen verwijden, dan zal niemand uw land begeren, terwijl gij henen opgaan zult,om te verschijnen voor het aangezicht des HEEREN uws Gods, driemaal in het jaar.
25.  Gij zult het bloed van Mijn slachtoffer niet offeren met gedesemd brood: het slachtoffer van het paasfeest zal ook niet vernachten tot den morgen.
26.  De eerstelingen van de eerste vruchten uws lands zult gij in het huis des HEEREN uws Gods brengen. Gij zult het bokje in de melk zijner moeder niet koken.
27.  Verder zeide de HEERE tot Mozes: Schrijf u deze woorden: want naar luid dezer woorden heb Ik een verbond met u en met Israel gemaakt.
28.  En hij was aldaar met den HEERE, veertig dagen en veertig nachten: hij at geen brood, en hij dronk geen water: en Hij schreef op de tafelen de woorden desverbonds, de tien woorden.
29.  En het geschiedde, toen Mozes van den berg Sinai afging (de twee tafelen der getuigenis nu waren in de hand van Mozes, als hij van den berg afging), zo wistMozes niet, dat het vel zijns aangezichts glinsterde, toen Hij met hem sprak.
30.  Als nu Aaron en al de kinderen Israels Mozes aanzagen, ziet, zo glinsterde het vel zijns aangezichts: daarom vreesden zij tot hem toe te treden.
31.  Toen riep Mozes hen: en Aaron, en al de oversten in de vergadering keerden weder tot hem: en Mozes sprak tot hen.
32.  En daarna traden al de kinderen Israels toe: en hij gebood hun al wat de HEERE met hem gesproken had op den berg Sinai.
33.  Alzo eindigde Mozes met hen te spreken, en hij had een deksel op zijn aangezicht gelegd.
34.  Doch als Mozes voor het aangezicht des HEEREN kwam, om met Hem te spreken, zo nam hij het deksel af, totdat hij uitging: en nadat hij uitgegaan was, zo sprakhij tot de kinderen Israels, wat hem geboden was.
35.  Zo zagen dan de kinderen Israels het aangezicht van Mozes, dat het vel van het aangezicht van Mozes glinsterde: derhalve deed Mozes het deksel weder op zijnaangezicht, totdat hij inging om met Hem te spreken.


[vorige hoofdstuk] - [volgende hoofdstuk]

 

Agenda
Boeken
Bijbel
kerk
Levensvragen
Links
Muziek
Nieuws
Overdenkingen
Preken


Kruis | Copyright 2003-2019 Kerken.com | deze pagina toevoegen aan favorieten | Contact | Disclaimer | A A A | Tell A Friend! | Kruis

 
tumblr site counter